Het onderwijs van morgen vraagt om een fundamentele transformatie
Het Nederlandse onderwijs moet fundamenteel anders worden ingericht: modulair, vraaggestuurd en over de grenzen van de eigen instelling heen. Hierover zijn onderwijsleiders het in grote lijnen wel eens. Nu volgt het echte werk: het daadwerkelijk realiseren van dit toekomstbeeld. In het visiestuk ‘Het onderwijs van morgen’ vertaalt Morgens de benodigde beweging naar drie kerninzichten die richting geven aan de transformatie van de sector.
De urgentie van verandering komt van meerdere kanten tegelijk. Demografische krimp doet de studentenaantallen dalen, vooral buiten de Randstad, terwijl sectoren als techniek, zorg en energie kampen met hardnekkige personeelstekorten en een snel veranderende vraag naar vaardigheden. Digitalisering en AI bieden kansen, maar vragen om forse investeringen in infrastructuur en in de vaardigheden van medewerkers.
Ondertussen benadrukt het coalitieakkoord 2026-2030 dat opleidingen aantoonbaar moeten bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke opgaven, zoals tekorten op de arbeidsmarkt, ontwikkelingen in de zorg, de energietransitie en technologische vernieuwing.
Fundamentele paradigmaverschuiving
Opgeteld vraagt het om een grondige hervorming van het onderwijs. Morgens Conclusion ging hierover in gesprek met formele en informele leiders uit het mbo, hbo en wo.
Vrij unaniem typeren ze de beweging niet als een optimalisatie, maar als een fundamentele paradigmaverschuiving – richting een modulair, flexibel en vraaggestuurd onderwijsportfolio, waarin leren, werken en ontwikkelen steeds sterker met elkaar zijn verweven.
Hoe kan de sector vormgeven aan deze uitdagende transformatie? Om instellingen op weg te helpen, vertaalt het visiestuk van Morgens de beweging naar drie kerninzichten voor de formele en informele leider in het onderwijs.
1: Eén samenhangend onderwijsaanbod
Ten eerste is het belangrijk om één samenhangend onderwijsaanbod te ontwerpen dat recht doet aan diversiteit en maatschappelijke opgaven. Het lineaire vierjarige model maakt plaats voor modulaire opleidingen, opgebouwd uit kleinere, gestandaardiseerde bouwstenen waarmee studenten hun eigen pad samenstellen.
“Wij moeten meebewegen met de variëteit en complexiteit van de studenten.”
Leven Lang Ontwikkelen (LLO) – het gedurende je gehele werkende leven blijven leren, zodat je duurzaam inzetbaar blijft op een snel veranderende arbeidsmarkt – is daarbij geen toevoeging, maar een integraal onderdeel van het onderwijsaanbod.
“In 2035 zullen persoonlijke leerpaden en samenwerking binnen en tussen instellingen cruciaal zijn”, voorspelt Arend Hardorff, lid van het College van Bestuur van de Haagse Hogeschool. “Ik denk ook dat grenzen tussen voltijd en deeltijd of duaal studeren verder vervagen en het aanbod op LLO een steeds groter deel van ons werk gaat uitmaken.”
Volgens Hardorff ontstaat zo een ander paradigma voor iedereen, van bestuurder tot student: “Wij moeten meebewegen met de variëteit en complexiteit van de studenten.”
2: Samenwerking voorbij de eigen instelling
Het tweede inzicht is dat de transitie de individuele instelling overstijgt: organiseer en benut samenwerking voorbij de eigen grenzen. Toekomstbestendig onderwijs ontstaat volgens Morgens niet binnen één instelling, maar in regionale ecosystemen, waarin mbo, hbo, wo, bedrijfsleven en overheid gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor maatschappelijke en arbeidsmarktvraagstukken.
Dergelijke brede samenwerking brengt de nodige uitdagingen met zich mee. Het vraagt om een gedeelde ambitie, helderheid over belangen, vertrouwen, passende governance en sturing op resultaten.
Otto Jelsma, voormalig voorzitter van het College van Bestuur van mbo Rijnland, ziet toekomst in “een lerend regionaal netwerk waarin alle schoolsoorten samenwerken met bedrijven, instellingen, gemeente en provinciale politiek”.
“Als je iets van een ander wilt, dan moet je zelf ook bereid zijn om te geven.”
Hij stelt dat geen van de partijen de aansluiting op de arbeidsmarkt en de grote maatschappelijke transities alleen kan aanpakken. Anderzijds komt samenspel al snel onder druk te staan zodra instellingen in zwaar weer raken. Jelsma benadrukt dat wederzijdsheid centraal moet blijven staan: “Als je iets van een ander wilt, dan moet je zelf ook bereid zijn om te geven.”
3: Duidelijke kaders met ruimte voor eigenaarschap
Het derde inzicht richt zich op de eigen organisatie: zorg voor duidelijke kaders met ruimte voor eigenaarschap en leren in de praktijk. Daarbij gaan structuur en cultuur hand in hand. Wendbaarheid vraagt om duidelijke afspraken. Een andere belangrijke sleutel ligt in standaardisatie.
“Om het onderwijs aan de voorkant op een goede en efficiënte manier te kunnen flexibiliseren, is het van belang dat we aan de achterkant de opleidingen standaardiseren”, zegt Angelien Sanderman, voorzitter van het College van Bestuur van Hogeschool Leiden.
Tegelijkertijd laat duurzame vernieuwing zich niet volledig ontwerpen. Naast de verandering die instellingen organiseren – keuzes, structuren en kaders – is er de verandering die ontstaat in gedrag, samenwerking en eigenaarschap. Beide moeten volgens Morgens voortdurend met elkaar verbonden worden: een strak ontwerp zonder draagvlak werkt alleen op papier, terwijl ruimte zonder richting tot versnippering leidt.
Ook eigenaarschap is belangrijk. Hierin is de sector volgens Joost van der Veen, programmamanager van Beethoven Zuid-Holland, nog te terughoudend. “Dat initiatief mag zich niet beperken tot de top. Een cultuurvraag is bij uitstek iets wat diffuus is en op heel veel manieren vorm krijgt. Mijn ervaring is dat het alleen werkt als je het op alle niveaus doet.”
Ander leiderschap
De drie inzichten – één samenhangend aanbod, samenwerking over grenzen heen en kaders met ruimte voor eigenaarschap – komen samen in een uitdagende opgave die volgens Morgens Conclusion vraagt om een ander soort leiderschap.
“Het onderwijs van morgen ontstaat niet vanzelf”, aldus het visiestuk. “Het vraagt om leiders die durven kiezen, grenzen overstijgen en verandering benaderen als een continue wisselwerking tussen verandering organiseren en ruimte geven om te laten ontstaan.”

