Hoe ervaren Nederlanders hun veiligheid? 2020 versus 2010

08 december 2020 Consultancy.nl 10 min. leestijd

Hoe ervaart de Nederlander zijn veiligheid, tien jaar geleden en nu? Tien jaar geleden voelde 33% van de Nederlanders zich weleens onveilig, nu is dat 45%. Wat is er veranderd in de samenleving? Rianne Pattipeilohij en Zeger de Bruyne van Capgemini delen hun visie. 

Elke dag zien we in het nieuws hoe onze veiligheid in het geding komt. Van privacyschending door sociale media-bedrijven tot buitenlandse inmenging in onze verkiezingen en terroristische aanvallen in de tram. Maar hoeveel invloed heeft dat op ons veiligheidsgevoel? Volgens het jaarlijkse Trends in Veiligheid-rapport van Capgemini en Capgemini Invent voelt 45% van de Nederlanders voelt zich weleens onveilig. Tien jaar geleden was dit 33%. 

Hoewel meer mensen aangeven dat zij zich weleens onveilig voelen, kan men niet goed duiden waardoor men zich precies onveilig voelt. Als we namelijk vragen naar het veiligheidsgevoel thuis, op straat, en digitaal, dan geeft men aan zich in alle drie de omgevingen veilig te voelen: 94% voelt zich veilig thuis, 85% voelt zich veilig op straat en 86% voelt zich veilig online. 

Hoe ervaren Nederlanders hun veiligheid: 2020 versus 2010

In deze omgevingen is dat een toename in veiligheidsgevoel ten opzichte van vorige jaren. Verrassend: de grootste toename is in de online omgeving. Hoe kunnen we de lichte toename van onveiligheid dan verklaren? 

Digitaal bewustzijn

Het lijkt erop dat we ons steeds meer bewust zijn van de gevaren online en steeds beter weten wat we ertegen kunnen doen. We proberen online steeds meer onze eigen verantwoordelijkheid te nemen. Tien jaar geleden dacht men namelijk dat internetaanbieders primair verantwoordelijk waren voor het waarborgen van de online veiligheid (60% van de respondenten). Nu denkt men dat het primair de eigen verantwoordelijkheid is (62% van de respondenten).

Mogelijk komt dit doordat er steeds meer aandacht wordt besteed aan hacks en datalekken, zoals de Celeb Hack, Cambridge Analytica en wachtwoorden die beschikbaar zijn op het darkweb. De meerderheid van de Nederlanders weet nu wat zij kunnen doen om hun eigen veiligheid te vergroten, zoals het vermijden van verdachte websites, regelmatig de software updaten en, waar nu ook veel campagnes over worden gevoerd, regelmatig wachtwoorden vervangen.

Daarnaast is men goed op de hoogte van de nieuwere manieren van beveiligen zoals een meer-factor-authenticatie: 19% maakt hier gebruik van.

Dit bewustzijn en verantwoordelijkheidsgevoel lijkt zijn vruchten af te werpen. Onder onze respondenten is een dalende trend in het slachtofferschap te zien. Dit staat haaks op het feit dat in de media wordt geroepen dat cybercrime juist toeneemt. Toch laten de cijfers het zien: in 2010 had 71% van de respondenten in dat jaar een vorm van cybercrime meegemaakt, zoals phishing en oplichting, dit jaar was dat 57% van de respondenten.

Misschien komt dat doordat we phishing en nepmails steeds beter kunnen identificeren, en er steeds meer melding van maken. Dat laatste wordt mogelijk ook beïnvloed door banken, die slachtoffers erop wijzen om aangifte te doen wanneer zij opgelicht zijn. Maar met de bewustwording van het herkennen van phishing en nepmails lijkt ook de bewustwording te komen van hoe geavanceerd de digitale vorm van oplichting wordt. 

Eén op de drie Nederlanders geeft aan dat ze bang zijn over twee jaar geen echte mails van nepmails meer te kunnen onderscheiden. Dit kan mogelijk een aanwijzing zijn voor een groter onveilig gevoel in de toekomst. Mogelijk is het vergrootte digitaal bewustzijn één van de factoren waardoor men zich toch weleens onveilig voelt. 

Bestrijden van criminaliteit

De meeste respondenten nemen contact op met de politie bij het waarnemen van een strafbaar feit of een onveilige situatie. Wat opvalt is dat significant meer 65-plussers dit doen, terwijl de groep 40-49 eerder zelf actie onderneemt. De manier waarop mensen contact opnemen is voornamelijk met de telefoon. De meerderheid van de mensen is tevreden over de manier waarop men informatie kan delen met de hulpdiensten. 

Er zijn daarnaast ook manieren waarop de overheid criminaliteit kan bestrijden, maar waarbij ook inbreuk op de privacy gemaakt wordt. Men is verdeeld over de mate waarin de overheid data mag gebruiken voor het bestrijden van criminaliteit. De vorm die het meest geaccepteerd is door respondenten is het bekijken van camerabeelden (60% zegt “ja, dat mag”). 

Op de tweede plaats staan afluisteren, gegevens van laptops en telefoons gebruiken en informatie van sociale media-accounts bekijken (40% zegt “ja, dat mag”). Deze verdeeldheid bestond vijf jaar geleden ook al. Toen vond een deel van de mensen (42%) dat de overheid de privacy van burgers te snel aan de kant zette, en 63% van de burgers vond dat er niet zomaar gebruikgemaakt kan worden van data van burgers.

“Ziekenhuizen en politie genieten aanzienlijk meer vertrouwen dan techbedrijven zoals Google, dat al tien jaar niet boven de 10% uitkomt.”

Bijna alle respondenten (96%) vinden het een goede zaak dat inlichtingendiensten voor het bestrijden van terrorisme en fraude informatie over personen met elkaar uitwisselen. Dit vond men tien jaar geleden ook al. Zo blijkt dat op het gebied van biometrie de helft van de respondenten aangeeft dat vingerafdrukken van alle mensen opgeslagen mogen worden ter bestrijding van criminaliteit. 

Wat gelijk is gebleven is het heersende gevoel in de maatschappij dat de overheid harder moet optreden om criminaliteit tegen te gaan en te voorkomen. De meerderheid (96%) vond tien jaar geleden dat de overheid meer maatregelen moet nemen, zoals harder straffen en meer voorlichting geven aan bedrijven. Een even groot deel van de respondenten is het hier nog steeds mee eens. 

Vertrouwen in de waarborging van privacy

De minderheid van de burgers vertrouwt de overheid met betrekking tot het veilig omgaan met je gegevens. Deze minderheid van ongeveer 40% is stabiel over de jaren. Bij de vraag in welke instanties men het meeste vertrouwen heeft in de omgang met persoonsgegevens, scoren ziekenhuizen en politie het best. Zij genieten aanzienlijk meer vertrouwen dan techbedrijven zoals bijvoorbeeld Google, dat al tien jaar niet boven de 10% uitkomt.

Dat geldt zeker wat betreft de internet of things-apparaten zoals Google Home en Alexa. Daarnaast is er een stabiele groep van ongeveer 5% die alle jaren zegt niet in privacy te geloven, of dat ze niets kunnen doen om hun privacy te beschermen. 

Nationaal veiligheidsgevoel

Mogelijk is het veranderende nationale veiligheidsgevoel een verklaring voor het verhoogde percentage dat zich weleens onveilig voelt. Dit jaar zegt vier op de tien Nederlanders zich weleens zorgen te maken over een digitale aanval van een ander land op Nederland. Dat is méér dan het aantal Nederlanders dat zich zorgen maakt over een fysieke aanval – namelijk minder dan één op de tien Nederlanders. 

Dit was vijf jaar geleden nog wel anders. Toen dacht men nog weinig aan digitale aanvallen. Sinds die tijd heeft zich een aantal gebeurtenissen voltrokken die veel media-aandacht hebben gekregen, zoals Wikileaks, de spionagepraktijken van Rusland, China en de Verenigde Staten en de opkomst van DDOS-aanvallen. Maar misschien belangrijker nog: sinds 2016 is de meldplicht datalekken ingegaan en sindsdien wordt er ook pas inzicht gegenereerd in digitale aanvallen. 

Met die verschuiving is men door de tijd heen ook gaan denken dat er meer gedaan moet worden aan de waarborging van de digitale veiligheid. Waar men zo’n tien jaar geleden nog dacht dat er vooral geïnvesteerd moest worden in kennis, leeft nu het idee dat de politie en de overheid vooral technische en financiële middelen nodig heeft om de nationale digitale veiligheid te waarborgen.

In 2013 vond namelijk 94% van de mensen dat er in kennis geïnvesteerd moest worden en 20% in technische dan wel financiële middelen. Nu is dat bijna omgedraaid: nog maar 53% van de mensen vindt dat er geïnvesteerd moet worden in kennis en 79% vindt dat er geïnvesteerd moet worden in technische/financiële middelen.

Mogelijk heeft de Nederlander ook geen goed beeld van wat de overheid allemaal doet om de digitale veiligheid te waarborgen. De meerderheid zegt namelijk dat de overheid meer kenbaar mag en móet maken wat zij bereikt in termen van opsporen, oplossen, en voorkomen. De onwetendheid over wat er aan nationale beïnvloeding is, is een mogelijk punt dat weleens een gevoel van onveiligheid geeft. 

Nepnieuws en verkiezingen

De afgelopen tijd gaat het steeds vaker over nepnieuws. Een belangrijk onderwerp in aantocht naar de Tweede Kamerverkiezing 2021. Acht op de tien Nederlanders vindt dat nepnieuws een gevaar is voor de maatschappij. Opvallend, want het grootste deel van de bevolking denkt nepnieuws zelf wel te kunnen herkennen.

Het lijkt er daarom op dat men vooral bang is dat anderen in nepnieuws trappen. Dat is ook te zien in de cijfers omtrent beïnvloeding van verkiezingen. De meeste mensen denken dat zoiets alleen in Amerika gebeurt, en niet in Nederland.

Nepnieuws heeft weinig invloed gehad op het vertrouwen van Nederland in traditionele media. Bijna de helft van de Nederlanders gebruikt dan ook de nieuwssites als informatiebron voor de aankomende verkiezingen. Het heeft wel invloed gehad op het vertrouwen in nieuws via sociale media. De meerderheid van de Nederlanders – voornamelijk jongeren – heeft het idee dat het informatiebeeld via sociale media sterk wordt vernauwd en beïnvloed. Toch zegt nog 13% zijn informatie de aankomende verkiezingen van social media te halen. 

Conclusie

Hoe komt het dus dat wij, Nederlanders, ons onveiliger zijn gaan voelen in de afgelopen tien jaar? De Nederlander beweegt mee in het digitale tijdperk. We kunnen niet meer zonder de digitale ontwikkelingen, maar we realiseren ons ook dat iedere ontwikkeling nieuwe veiligheidsvraagstukken met zich meebrengt. We worden bewust van onze eigen verantwoordelijkheid en de potentiële risico’s. 

Dit besef heeft mogelijk een negatieve impact op ons algemene veiligheidsgevoel. Tegelijkertijd weten we ook steeds beter wat we kunnen doen om ons te beschermen tegen digitale gevaren en we nemen die verantwoordelijkheid ook. Samenvattend zijn we in tien jaar al ver gekomen; van de eerste smartphone met 3G naar de smartwatches met 5G, en van internetbankieren naar betalen met je telefoon.