Armoede- en schuldhulpstelsel van Eindhoven vrij complex

12 mei 2020 Consultancy.nl 3 min. leestijd

Eindhoven kampt met minder armoede- en schuldenproblematiek dan de meeste andere G10-gemeenten, maar veel mensen die wel kampen met problemen weten de weg naar beschikbare regelingen en schuldhulp niet te vinden. Zo concludeert Purpose, dat in opdracht van Eindhoven het armoede- en schuldenbeleid van de gemeente evalueerde.

In 2017 leefden bijna 939 duizend Nederlanders in armoede. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau leeft een persoon of gezin in armoede wanneer het inkomen niet voldoende is voor het ‘niet-veel-maar-toereikendcriterium’.

Dit criterium is gebaseerd op de minimale kosten van wonen, voeding, kleding en verzekeringen, een klein bedrag voor ontspanning en nog een budget voor sociale activiteiten, zoals lidmaatschap bij een sportvereniging.

Armoede- en schuldhulpstelsel van Eindhoven vrij complex

Bron: Purpose

Het criterium lag in 2017 voor een alleenstaande op een budget van €1135 per maand. Vanzelfsprekend wil de gemeente Eindhoven naar een zo laag mogelijk aantal inwoners dat in armoede leeft. In 2018 leefde volgens het CBS 9,5% van de Eindhovense huishoudens onder de armoedegrens.

Daarmee komt Eindhoven lager uit dan andere grote steden als Rotterdam, Groningen en Amsterdam, maar wel boven het landelijk gemiddelde van 7,9%. Waar Eindhoven vooral laag scoort is het aandeel van de inwoners met een negatief vermogen dat zich bij de gemeente meldt.

Dat komt volgens Purpose vermoedelijk mede doordat Eindhoven “strenge eisen aan de poort” lijkt te hanteren. “Om toegelaten te worden tot schuldhulpverlener moet de inwoner stabiel en gemotiveerd zijn.”

Het onderzoeksrapport – dat tot stand kwam met hulp van de medewerkers van gemeente Eindhoven, WIJeindhoven, de Werkplaats Financiën, de werkgroep armoede van Impact040 en de sociale partners in Eindhoven – beoordeelt het Eindhovens beleid vanuit vier verschillende uitgangspunten.

Het eerste uitgangspunt is de mate waarin de gemeente in staat is armoede en schulden te voorkomen. Het tweede is de vroegsignalering: worden inwoners met schulden bijtijds benaderd om escalatie te voorkomen? Daarnaast werd gekeken naar de laagdrempeligheid van hulp. Tot slot werd beoordeeld of er sprake is van gedegen begeleiding en nazorg.

Om deze effectiviteit van deze vier componenten te meten, werden ze beoordeeld vanuit de perspectieven van inwoner, hulpverlener en beleidsambtenaar.

Een van de veelgehoorde problemen is dat inwoners met schulden er niet altijd in slagen om bijtijds in contact te komen met hulpverleners. Daarnaast blijkt de procedure van schuldhulpaanvraag erg complex te zijn. Zo kent iedere regeling bijvoorbeeld een eigen aanvraagproces, waarbij veel documenten aangeleverd dienen te worden, soms meermaals.

Volgens Purpose ontbreekt het in de huidige situatie aan een scherpe visie op armoede en schulden als onderdeel van de sociale visie, en een duidelijk beleid dat daaruit zou moeten volgen. Zo zijn ook de beleidsmatige doelstellingen niet helder en/of samenhangend, en leidt de afwezigheid van duidelijke meetpunten (kpi’s) tot een gebrekkige mogelijkheid tot evaluatie van resultaat.

Een genoemde oorzaak voor de complexiteit is, zo stelt Purpose, de keuze van de gemeente om in 2014 schuldhulpverlening onder te brengen bij WIJeindhoven, zonder vanuit de gemeente bij te sturen.

Het offensief

Purpose komt op basis van zijn bevindingen met een reeks aanbevelingen: het ‘Armoede- en schuldenoffensief’. De doelstelling is als volgt: “De dienstverlening in Eindhoven zo organiseren dat meer inwoners van Eindhoven beter worden ondersteund door het vergroten van het bereik van de minimaregelingen en mensen in schulden sneller en beter helpen.”

Kortgezegd moet volgens de onderzoekers het volgende gebeuren: er wordt een integraal beleidsplan ontwikkeld, waarna er een nieuwe drempelloze armoede- en schuldenketen wordt opgezet.

Daarnaast moet de gemeente een regieorganisatie installeren en een systematiek ontwerpen die het mogelijk maakt om de voortgang en resultaten te meten. Wanneer dit eenmaal op poten staat, is het tot slot zaak om de organisatie zelflerend en in beweging te houden.