Coalities smeden voor betere samenwerking in de zorg

26 maart 2022 Consultancy.nl 13 min. leestijd
Profielen
Meer nieuws over

Belangenbehartigers in de zorgpolder hadden het moeilijk tijdens de coronapandemie. Nu proberen ze hun plaats aan de overlegtafel te heroveren. En samenwerking met anderen lijkt daarbij een heilzame strategie.

“Je kon altijd gewoon even bellen. Naar het ministerie, naar de zorgverzekeraars of naar de IGJ. We hadden korte lijntjes met dergelijke stakeholders als we zaken met ze wilden afstemmen.” Aan het woord is Stan Banus, hoofd vakinhoud bij de KNMT, beroepsorganisatie van tandartsen, orthodontisten en kaakchirurgen.

Maar begin maart 2020, toen de eerste coronagolf over ons land sloeg, waren er meer vragen dan antwoorden. “We belden, mailden en appten enorm veel omdat er zoveel vragen leefden. En dus werd het een chaos: iedereen had vragen. Het was als varen door de mist. De mensen die we wilden bereiken, werkten zich een slag in de rondte, maar ze hádden ook geen antwoorden.”

Het belang van coalities smeden in de zorg

“Wij dachten: we are in this together”, vertelt directeur van Patiëntenfederatie Nederland, Dianda Veldman. Maar toen het stof na de uitbraak van de eerste golf een beetje was neergedaald, bleek het patiëntperspectief even niet meer mee te doen. “De medici hadden het voor het zeggen; Den Haag was bezig met mondkapjes en niemand nam de telefoon meer op. Heel begrijpelijk allemaal, maar het heersende idee dat de patiënt centraal staat, bleek even naar de achtergrond verdwenen.”

Na enige tijd ontving Veldman van het ministerie van VWS een uitnodiging om deel te nemen aan het wekelijkse ‘handen-aan-de-kraan’-overleg, waarin het ministerie inzake covid overlegde met alle koepelorganisaties. “Daar mochten wij soms ook een woordje doen. Maar gehoord worden en serieus worden genomen zijn twee verschillende dingen.” 

Lobbyen en praten

De Nederlandse zorgpolder zit vol met belangenorganisaties. Psychologen, ziekenhuizen, apothekers, jeugdzorg, allemaal hebben ze hun eigen vereniging. En vrijwel allemaal hebben ze er meer dan één. Jaar na jaar spelen al die belangenorganisaties vol overgave hun polderrol: lobbyen en praten aan overlegtafels om te zorgen dat hun perspectief niet wordt vergeten in de besluitvorming. Het zijn er alles bij elkaar zomaar enkele honderden.

Allemaal moesten ze tijdens de coronapandemie hun weg naar de tafels waar de beslissingen worden genomen opnieuw zien te vinden. En ook na de pandemie lijkt het ingewikkelder te zijn geworden om het eigen geluid over de bühne te brengen. En dus wordt er naar oplossingen gezocht.

Loubna Boufrach, oprichter en partner van juridisch adviesbureau Bouf, ziet een beweging onder belangenbehartigers richting meer samenwerking. “Vooral als het gaat om zaken die het puur eigen perspectief overstijgen. Agendapunten als regeldruk, de introductie van e-health of de toekomstbestendigheid van het zorgstelsel vragen daar ook om.”

Juist de hardnekkige problemen waar het zorgstelsel mee worstelt, komen voort uit de clash tussen al die deelbelangen en het onvermogen van veel spelers om over hun eigen schaduw heen te stappen. Hoe beter ze daar onderling in slagen, hoe groter de kans dat ze in Den Haag een oor krijgen en dus impact. Een voorbeeld ziet Boufrach in het collectieve verzet tegen de nieuwe Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza), waarin een heel stel koepels zich wist te vinden in de Eerstelijnscoalitie.

Een ander voorbeeld zijn de recente ontwikkelingen in de mondzorg.

Mondzorgalliantie

Begin 2020 zaten tandartsen met veel vragen: zijn er voldoende beschermingsmiddelen voor de branche? Kan er überhaupt nog mondzorg verleend worden? Hoe nu om te gaan met een patiënt die acuut mondzorg nodig heeft? Niemand die het wist. “We belden met de andere koepels binnen de mondzorg: de ANT – tegenhanger van de KNMT, de NVM voor mondhygiënisten en de ONT voor tandprothetici”, vertelt Stan Banus, “en alle drie ondervonden die dezelfde problemen.”

Provisorisch komt het tot samenwerking en al heel snel besluiten de koepels al hun leden te adviseren om de reguliere zorgverlening ‘op te schorten’. Praktijken dienen alleen nog open te blijven voor spoedbehandelingen bij niet-coronapatiënten. De mondzorg besluit daar zelfstandig en proactief toe, nog voordat de overheid er coronaregels voor geformuleerd heeft. De daadkrachtige samenwerking bevalt en de koepels besluiten die in een wat structurelere vorm te gieten: de Mondzorgalliantie.

Met die coalitie wordt de verdere gang van zaken gedurende de pandemie vormgegeven. Er wordt een zogeheten CAM-structuur opgezet: in elke regio moet een tandarts klaarstaan om acute mondzorg te kunnen verlenen aan coronapatiënten. Er worden thematische tafels ingericht waar prominente wetenschappers overleggen over de te volgen koers. En er wordt contact gelegd met de nieuwe gremia – GGD’en, GHOR’s en ROAZ-verbanden die plotseling heel belangrijk blijken te zijn in de organisatie van de zorg.

“Er was enorm veel overleg, gecombineerd met een enorme actiebereidheid”, herinnert Stan Banus zich. “Al snel leek het alsof we allemaal bij dezelfde club werkten.”

Na de eerste golf, eind mei 2020, als ook duidelijk is geworden hoe de continuïteitsbijdrage vanuit de zorgverzekeraars eruit ziet, ontstaat er een natuurlijk rustmoment. “Toen keken we elkaar voor het eerst weer eens wat langer aan en bleek dat er veel onderlinge waardering was gegroeid”, vertelt Banus.

“Van kijk eens, wat hebben we veel voor onze leden kunnen bereiken!” En: “waarom doen we dat niet vaker zo?” De bestuurders van KNMT en ANT besluiten verder te praten en in het daaropvolgende halfjaar krijgen de fusieplannen vorm. Per 1 januari 2021 is de nieuwe KNMT een nieuwe naam blijkt niet nodig een feit.

“Wij zijn heel blij met die fusie”, zegt Banus. “Naar de toekomst zijn er grote uitdagingen in ons vak. Neem alleen maar het groeiende tandartsentekort. Dat is een enorm probleem waar we nu samen verder aan werken. En doordat we nu standaard vrijwel onze volledige doelgroep vertegenwoordigen, is onze legitimiteit flink vergroot.”

Zelf regie pakken

Eind februari kwam er een andere coalitie in het nieuws. Een vijftiental msb-directeuren en ziekenhuisbestuurders publiceerde in samenwerking met de commerciële partijen BDO, adviesorganisatie Vintura, Rabobank en IT-leverancier Logex een plan om de transformatie van de medisch specialistische zorg te versnellen. Steekwoorden: productieprikkels in het zorgstelsel verminderen en innovatie versnellen, onder meer door langetermijncontracten en populatiebekostiging.

“Wij hebben vorig jaar samen met Vintura een kleinschalige dialooggroep opgestart, met als doel om vanuit een veilige omgeving een positieve bijdrage te leveren aan de transformatie die in de zorg noodzakelijk is”, vertelt Chris van den Haak, voorzitter publieke sector bij BDO.

“Onze boodschap aan de beroepsgroep was: ‘Pak nou zelf de regie’. Door aan te sluiten bij de actualiteit van het regeerakkoord, dat de sector vraagt om passende zorg, kun je als medisch-specialistische bedrijven veel meer het initiatief naar je toe trekken.”

Van den Haak refereert daarmee ook aan de boodschap van het kabinet richting medisch-specialistische bedrijven, dat indien de komende jaren resultaten met betrekking tot passende zorg uitblijven, medisch specialisten die in een msb werkzaam zijn mogelijk gedwongen zullen worden om in loondienst te gaan. En hij vond gehoor. 

“Het mooie van dit gezelschap is dat wij medisch specialisten er niet als belangenbehartigers in zitten”, zegt cardioloog en voorzitter van het msb in het Eindhovense Catharina Ziekenhuis, Tim Simmers. “Dat betekent dat wij in een gemêleerd gezelschap vrij konden discussiëren over de opdracht waar we met z’n allen voor staan, zonder dat we meteen in de hoek werden gezet als de as van het kwaad. Daarbij: er werd niet aan politieke braafpraterij gedaan. Gelukkig, want gaandeweg bleek de keuze msb of loondienst helemaal niet zo relevant voor de vragen waar het echt over moet gaan.”

Wat opvalt aan het initiatief, is dat de betrokken msb-voorzitters ermee voorbijgaan aan hun belangenvereniging, de Federatie Medisch Specialisten (FMS). “Als BDO zijn wij in het verleden wel eens kritisch geweest over de msb’s”, vertelt Van den Haak.

“Met name over het gebrek aan toezicht en transparantie rond de geldstromen die in msb’s rondgaan. Vanuit de FMS werd daar toen sterk defensief op gereageerd, dus besloten we ze voor dit initiatief niet te vragen.” Simmers merkte – via via – dat de FMS zelf ook afhoudend was richting het initiatief van BDO en Vintura. Maar hij begrijpt dat wel.

“Zij zijn officieel belangenbehartiger en hebben te maken met een overheid die met serieuze maatregelen dreigt. Een reactie daarop is in mijn ogen op zijn plaats en ik zou dat zeker niet als defensief willen framen. Maar in dit gezelschap hóefden wij niet te reageren. We konden poneren vanuit een positieve agenda en mee nadenken hoe we onze zorg kwalitatief goed en betaalbaar kunnen houden voor alle Nederlanders. Daar doen wij als medisch specialisten al heel veel aan. En deze kans om dat te delen en naar aanleiding daarvan te praten over de toekomst, wilde ik niet laten lopen.”

Ondertussen hebben zich nog enkele bestuurders van ziekenhuizen en msb’s bij het initiatief gevoegd. Van overheidswege is er nog geen antwoord gekomen op de boodschap van deze bijzonder coalitie. “Maar”, zegt Van den Haak, “we beraden ons op eventuele vervolgacties.” 

Patiëntperspectief

Of er daadwerkelijk een beweging richting meer samenwerking is in de polder, durft Roland Bal, hoogleraar beleid en bestuur van de gezondheidszorg aan de Erasmus universiteit, niet te beamen. “Ik denk dat het niet zo nieuw is. Belangenclubs sluiten wel vaker samenwerkingsverbanden als hen dat goed uitkomt en ze elkaars verhaal kunnen versterken. Maar het speelt zeker. In mijn ogen is de polder een permanent proces van coalitievorming.”

Wat Bal wel heeft zien gebeuren, is dat tijdens de coronapandemie het patiëntenperspectief – vooral in de cure – goeddeels verdween uit de besluitvorming in de zorg. In het onderzoek Leren dansen met een virus dat hij publiceerde met een aantal anderen, wordt dat uiteengezet.

“We zijn tot twee conclusies gekomen. Eén: veel besluitvorming tijdens de pandemie vond plaats op regionaal niveau. En op dat niveau is, anders dan op instellings- en landelijk niveau, de inbreng van het patiëntperspectief niet geborgd. Twee: waar het wél mogelijk was om het patiëntperspectief alsnog in te brengen, is het nauwelijks gebeurd. Alleen hier en daar in verzorgingstehuizen, waar met name familieleden in opstand kwamen tegen het aanvankelijk veel te generieke bezoekersverbod. In ziekenhuizen werd de patiënt weer letterlijk lijdend voorwerp.”

Bal vindt dat vreemd. “Kijk, dat er in de eerste weken geen tijd voor was is natuurlijk logisch. Maar er is van alles gebeurd: beperking van bezoekregelingen, de kwaliteit van de zorg die onder druk kwam te staan, verplaatsingen van patiënten… daar waren vanuit patiëntperspectief natuurlijk volop vragen bij te stellen. Maar het patiëntbelang verdween van de radar. Dat hoeft niet zo te zijn. De hele long covid-problematiek bijvoorbeeld is internationaal door patiëntenorganisaties op de kaart gezet.”

Een andere discussie die Bal opgestart zou willen zien, is die over de zorgkwaliteit. “Dat wordt een belangrijke discussie, want we zijn het er allemaal over eens dat ons zorgstelsel het water aan de lippen staat en dat er drastische keuzes gemaakt moeten worden, maar aan de kwaliteit van zorg mag op geen enkel vlak worden getornd.”

“Door alsmaar te hameren op die institutionele, wetenschappelijk gedefinieerde kwaliteit, blijft het stelsel in de wurggreep van het puur medische denken, terwijl op heel veel plaatsen in de zorg die allerhoogste kwaliteit helemaal niet nodig is. Overigens: her en der kan die kwaliteit – personeelsgebrek immers al niet meer gegarandeerd worden. En dan wordt ‘kwaliteit’ een loos dictaat, dat in z’n uitwerking zelfs schadelijk kan zijn.”

Speelpopje

Met de kritiek dat de Patiëntenbeweging zich tot stilte heeft laten manen, is directeur Veldman het vanzelfsprekend niet eens. “Wij hebben ons flink geroerd op het gebied van de inhaalzorg; zeker ook in het overleg over de urgentiecriteria daarvoor. En verder zijn wij actief op heel veel onderwerpen. Ik zie ons als zo’n speelpopje; dat kan je helemaal ombuigen, maar het komt altijd weer overeind.”

Veldman erkent dat op regionaal niveau – waar veel van de samenwerking moet gaan plaatsvinden – het patiëntenbelang niet of nauwelijks is vertegenwoordigd. “Her en der heeft onze partner Zorgbelang zitting in regionale initiatieven, maar daar blijft het bij. Daar zijn we over in gesprek.”

“Het ministerie van VWS is een nieuw beleidskader aan het ontwikkelen voor patiëntenorganisaties en wij hebben al een tijdje geleden aangegeven dat daarin plaats moet worden gemaakt voor regionale borging van het patiëntperspectief. Dat hebben ze gehonoreerd, maar helaas is er vervolgens geen geld voor uitgetrokken. Daarover hebben we vorige maand een brief naar de Tweede Kamer gestuurd.”

Wat betreft de dominantie van het medische denken is Veldman het met Bal eens. “Als de pandemie iets heeft laten zien, is het dat als puntje bij paaltje komt, het puur medische denken overheerst. Terwijl: medisch gezien staat onze zorg nog altijd op een heel hoog peil. Waar een slag moet worden geslagen, is in de organisatie van de zorg. Dáár moet samenwerking worden gezocht: transmuraal, hybride, domeinoverstijgend, het maakt me niet uit hoe je het noemt. Daarvoor moet de bekostiging worden aangepast en er moet een prominente plaats worden ingeruimd voor preventie.”

Op de vraag of ook de Patiëntenfederatie denkt dat samenwerking de weg is om die doelstellingen dichterbij te brengen, zegt Veldman: “Als het helpt om de gewenste veranderingen te laten plaatsvinden, willen wij graag met iedereen samenwerken die een vergelijkbare visie onderschrijft. Dat doen we ook al. In de Vliegwielcoalitie bijvoorbeeld, een initiatief van ons ten behoeve van de digitale transformatie in de zorg. En we zetten samenwerkingen op met dokters, bestuurders en zorgverzekeraars. Voor het verspreiden van goed nieuws bijvoorbeeld, of het wegnemen van drempels op de werkvloer.”

“Maar”, zegt ze, “samenwerking is geen doel op zich. Zeker niet als het betekent dat je met een paar vriendjes die je toch al kende een paar afspraakjes maakt en alles verder blijft zoals het was. Het gaat om samenwerking ten behoeve van verandering.”

Dit artikel is eerder geplaatst in Skipr, een vakblad voor professionals in de gezondheidszorg.