Toelatingseisen publieke omroepbestel gaan op de schop

29 december 2021 Consultancy.nl 5 min. leestijd
Meer nieuws over

De criteria aan de hand waarvan radio- en televisieomroepen kunnen toetreden tot het publieke bestel gaan op de schop. Dat heeft demissionair minister Arie Slob bekendgemaakt aan de Tweede Kamer. Hij baseerde zich daarbij op een onderzoek van adviesbureau AEF. 

In vergelijking met veel andere landen heeft Nederland een aardig complex publiek omroepstel. De verschillende televisie- en radiozenders fungeren namelijk als een podium voor omroeporganisaties, waarvan vele van oudsher een politieke signatuur kennen en derhalve een bepaald deel van de bevolking bedienen met hun uitzendingen.

In de jaren zestig van de vorige eeuw ontstond onenigheid over de hoeveelheid zendtijd waarop de verschillende omroeporganisaties recht hadden. Om die reden werd in 1965 de zogenaamde omroepwet ingevoerd. Sindsdien krijgen omroepen aan de hand van het aantal betalende leden zendtijd toegewezen. 

Toelatingseisen publieke omroepbestel gaan op de schop

En dat idee – zendtijd aan de hand van het aantal leden – werkte redelijkerwijs toen onze maatschappij nog sterk verzuild was. Zo ging een katholiek naar een katholieke slager en bakker, zat bij een katholieke sportvereniging, stemde op de Katholieke Volks Partij (KVP) en was lid van de Katholieke Radio Omroep (KRO). 

Vrijwel alle huishoudens in ons land behoorden met andere woorden tot een bepaalde zuil, betaalden de omroeporganisaties die daarbij hoorden geld, die daarmee op hun beurt programma’s maakten. Nederlanders werden kortom op hun wenken bediend door de groep waartoe ze behoorden.

Maar toen brak eind jaren zestig de ontzuiling aan. En deze zette zich voort. Met als resultaat dat in de jaren negentig van de vorige eeuw ons land aardig ontzuild was. Het was niet langer kraakhelder tot welke groep iemand behoorde omdat het tijdperk van het individualisme was aangebroken.

En deze ontwikkelingen zetten het functioneren van het publieke bestel onder druk. Niet voor niets zagen de verschillende omroepen hun ledenaantal flink teruglopen. Zo was in de jaren zestig nagenoeg elk huishouden lid van een omroep, vandaag de dag gaat het om minder dan de helft (48%) van alle huishoudens, aldus het commissariaat voor de media.

Verandering vereist

Toch geldt het ledenaantal op dit moment als belangrijkste factor in de toekenning van zendtijd of het toelaten van een nieuwe omroep tot het publieke bestel. En daar moet verandering in komen, concludeerde demissionair minister Arie Slob (CU) enige tijd geleden, waarna hij de experts van adviesbureau AEF inschakelde.

De adviseurs bogen zich in het bijzonder over de vraag hoe het mogelijk is om de toegevoegde waarde van nieuwe omroepen binnen het publieke bestel beter vast te stellen. Momenteel moet een nieuwe omroep een stroming vertegenwoordigen én 50.000 betalende leden hebben. Maar omdat de eerste eis nogal abstract is, wordt de facto vooral naar de tweede eis gekeken. 

En dat brengt de doelstellingen van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) in gevaar, concludeerde minister Slob. De NPO wil namelijk een onafhankelijk, veelzijdig en kwalitatief bestel, terwijl een omroep die wil toetreden daar effectief nauwelijks op wordt getoetst. Zolang de omroep voldoende leden heeft en financieel gezond is, wordt doorgaans toegang verschaft. 

Om die reden wil Slob aanvullende toelatingseisen gaan invoeren, om zo de kernwaarden van de NPO te behouden. Een eerste versie van deze extra criteria, die uiteindelijk in 2027 zullen worden ingevoerd, zijn eind dit jaar door AEF gepresenteerd aan de demissionair minister van mediazaken.

De extra toelatingseisen

De onderzoekers van AEF hebben drie nieuwe criteria geformuleerd: doelgroep, kwaliteit en betrokkenheid & impact. Naar deze criteria wordt vervolgens gekeken vanuit twee perspectieven. Binnen het eerste perspectief staat centraal in welke mate de omroep bijdraagt aan het publieke bestel.

Bij het criterium doelgroep komt dat bijvoorbeeld neer op de vraag of de omroep in kwestie evenwichtig is, een relevant bereik heeft onder het algemene publiek én kleine doelgroepen en of de omroep voor iedereen toegankelijk is.

En bij het criterium kwaliteit wordt een omroep – vanuit het eerste perspectief – getoetst op eigenschappen zoals betrouwbaarheid, onafhankelijkheid, transparantie en goed werkgeverschap. Terwijl bij het derde criterium wordt nagegaan of een omroep mensen samenbrengt en een bijdrage levert aan onze democratie. 

Binnen het tweede perspectief staan de omroepen zelf centraal en wordt bekeken in hoeverre zij voldoen aan de eerder genoemde drie criteria. Zo wordt bij het criterium doelgroep bijvoorbeeld nagegaan of de desbetreffende omroep een duidelijk profilering heeft en of daadwerkelijk een doelgroep wordt bediend.

En binnen het tweede perspectief wordt een omroep bij het criterium kwaliteit getoetst op zijn onderscheidend vermogen. Daarnaast wordt nagegaan of de omroep een duidelijke missie heeft en in hoeverre hij daar naar handelt.

Ten slotte wordt vanuit het tweede perspectief bij het derde criterium (betrokkenheid & impact) vastgesteld of een omroep voldoende in contact staat met zijn doelgroep en met de rest van de samenleving. In lijn daarmee wordt ook bepaald wat zijn maatschappelijke invloed is. Eveneens speelt mee hoeveel leden de omroep heeft.