Diepe aanlanding van windstroom kan druk op stroomnet verminderen
Windenergie van de Noordzee rechtstreeks naar het binnenland brengen via ondergrondse kabels kan de druk op het stroomnet verminderen. Vooral Gelderland, Noord-Brabant en Limburg zijn daarvoor kansrijk. Dat blijkt uit onderzoek van Arcadis, Haskoning en CE Delft, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK).
Nederland wil de komende decennia veel meer elektriciteit gaan opwekken met windparken op de Noordzee. Een belangrijk vraagstuk hierbij is waar die stroom aan land moet komen en vervolgens op het landelijke hoogspanningsnet moet worden aangesloten.
Nu gebeurt dat in de kustregio’s. Bij een zogenoemde diepe aanlanding lopen ondergrondse gelijkstroomkabels vanaf zee verder het binnenland in. Daar wordt de elektriciteit via converterstations aangesloten op het 380kV-net. Dat bestaat uit de zwaarste hoogspanningsverbindingen die grote hoeveelheden stroom over lange afstanden door ons land vervoeren.
De studie van Arcadis, Haskoning en CE Delft richt zich op het toekomstige windenergiegebied 6/7 op de Noordzee. Daar moeten rond 2040 nieuwe windparken zijn gerealiseerd. De onderzoekers hebben onderzocht hoe grote hoeveelheden windstroom vanuit dat gebied verder landinwaarts op het hoogspanningsnet kunnen worden aangesloten.
Minder transport vanaf de kust
Diepe aanlandingen kunnen voorkomen dat grote hoeveelheden elektriciteit vanaf de kust over het bestaande, zwaar belaste hoogspanningsnet naar het binnenland moeten worden vervoerd. “Een diepe aanlanding kan de druk op 380kV-verbindingen verminderen”, schrijven de onderzoekers. Daardoor is er ook minder noodzaak om de capaciteit van het 380kV-net snel uit te breiden.
Vooral Limburg, Gelderland, Eindhoven en andere delen van Noord-Brabant komen gunstig uit de berekeningen. In deze gebieden lijkt 4 gigawatt windenergie inpasbaar zonder grote ingrepen. Dat hangt samen met de forse elektriciteitsvraag die daar in de gebruikte toekomstscenario’s wordt verwacht.
In Limburg wordt die vraag vooral door de industrie veroorzaakt. In Gelderland en Noord-Brabant speelt de bredere elektrificatie een grotere rol. Stroomverbindingen met Duitsland en België in deze delen van ons land kunnen een voordeel opleveren wanneer er veel windelektriciteit beschikbaar is. Die kan dan in het buitenland worden benut.
“Afgezien van een aantal grote, lokale, belemmeringen zijn de onderzochte kabelroutes in principe haalbaar en uitvoerbaar.”
Al met al concluderen de onderzoekers dat een diepe aanlanding in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg vergelijkbare voordelen voor het elektriciteitsnet kan opleveren: “De regio’s lijken tot op zekere hoogte inwisselbaar.”
Flevoland komt minder gunstig uit het onderzoek. Een diepe aanlanding kan daar wel worden ingepast, maar levert het landelijke stroomnet relatief weinig voordeel op. Bij Lelystad speelt bovendien mee dat al veel windenergie op land wordt opgewekt. Almere scoort door de grotere stroomvraag wat gunstiger. Volgens de onderzoekers is Flevoland vooral interessant als aansluitingen dichter bij de kust niet haalbaar blijken.
Ook Overijssel is niet de beste optie. Dat komt doordat een diepe aanlanding lokaal een groot overschot aan elektriciteit kan veroorzaken, terwijl de verwachte stroomvraag beperkt is. Als in Overijssel veel windstroom wordt ingevoerd, moet deze via het regionale 380kV-net weer worden afgevoerd. Daarvoor kan onvoldoende capaciteit zijn, waardoor juist nieuwe knelpunten kunnen ontstaan.
Lange kabel heeft een prijs
Tegenover de voordelen voor het elektriciteitsnet staan de kosten en ruimtelijke gevolgen van lange, ondergrondse kabelroutes. De onderzoekers keken onder meer naar de effecten op natuur, landschap, leefomgeving en bodem. De meeste onderzochte kabelroutes worden in beginsel als haalbaar beschouwd.
“Afgezien van een aantal grote, lokale, belemmeringen zijn op grond van de effectbeoordeling de onderzochte kabelroutes in principe haalbaar en uitvoerbaar”, schrijven de onderzoekers. Vooral in West- en Midden-Nederland is de concentratie van knelpunten groot. Daar spelen onder meer verzilting en zetting van de bodem een rol.
Sommige ondergrondse kabelroutes stuiten op zwaardere bezwaren. Dat geldt bijvoorbeeld voor delen die door de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe lopen. Ook rond het Zuidlaardermeer en de Drentsche Aa vormen natuurgebieden een obstakel.
Een ondergrondse route via de Oosterschelde valt af. Deze loopt door een Natura 2000-gebied. De onderzoekers zien daar zulke grote ecologische belemmeringen dat de route geen serieuze optie is. Een route over land rond de Oosterschelde is volgens het rapport ook niet haalbaar.
Rivierenland en Wijchen gunstig
Er ontstaat daardoor een duidelijke afweging. De routes naar Almere en Lelystad zijn het kortst, hebben de minste impact en kosten het minst, maar leveren het energiesysteem minder op. De langere verbindingen richting het zuiden en oosten zijn duurder, maar hebben juist meer potentieel om het hoogspanningsnet te ontlasten.
“Om daadwerkelijk tot realisatie van diepe aanlandingen te komen is nader onderzoek nodig.”
Binnen Gelderland, Noord-Brabant en Limburg springen Rivierenland en Wijchen eruit. Deze routes zijn relatief kort en kennen weinig knelpunten. Daarna volgen volgens het rapport Boxmeer en Eindhoven. De routes naar Limburg zijn het langst en hebben daardoor in absolute zin de grootste impact en hoogste kosten.
Vervolgonderzoek vereist
Een definitieve voorkeur spreken de onderzoekers niet uit. Daarvoor is de voorverkenning te globaal en zijn nog te veel factoren onzeker. Zo moet nog worden bepaald hoeveel diepe aanlandingen nodig zijn en hoe de hoge aanlegkosten zich verhouden tot de voordelen voor het elektriciteitsnet.
De onderzoekers adviseren daarom het aantal mogelijkheden in een volgende fase eerst terug te brengen. Zo kunnen de resterende locaties en routes gedetailleerder worden onderzocht. Ook moet worden doorgerekend of Gelderland, Noord-Brabant of Limburg de voorkeur verdient, of dat een combinatie het gunstigst is.
“Voor een integrale afweging moet onderzocht worden hoe de hoge kosten voor diepe aanlandingen afwegen tegen de baten voor het energiesysteem en de effecten op milieu en ruimte”, concluderen de onderzoekers.
Bestuurlijke reactie
Deze zomer stuurde Jo-Annes de Bat, staatssecretaris van EZK, het rapport naar de Tweede Kamer. In een begeleidende brief schaart ze zich achter de aanbevelingen van de onderzoekers.
“Om daadwerkelijk tot realisatie van diepe aanlandingen te komen is nader onderzoek nodig. Daarom ga ik in het vervolgonderzoek verder in op potentiële routes en aansluitlocaties, waarbij de kansen en risico’s scherper in beeld gebracht zullen worden.”

