Omgevingswet biedt kansen voor leefbare wijken, maar participatie nog altijd onvoldoende verankerd
Een eenvoudiger stelsel voor onze fysieke leefomgeving – dat was het doel achter de nieuwe Omgevingswet. Twee jaar na de invoering lijkt die doelstelling slechts deels gerealiseerd, maar de wet biedt wel nieuwe kansen – met name voor wie leefbare wijken wil bouwen die aansluiten bij de behoeften van bewoners. In de Haute Equipe Podcast bespraken twee adviseurs van het adviesbureau waar die kansen liggen en waar de wet nog tekortschiet.
In 2024 was het eindelijk zover: na jaren van uitstel werd de Omgevingswet van kracht. Geheel verwonderlijk was het herhaaldelijke uitstel niet: de Omgevingswet wordt ook wel de grootste wetswijziging sinds 1848 genoemd.
De wet beoogt een flinke vereenvoudiging van het stelsel rond de fysieke leefomgeving. Daartoe bundelt ze maar liefst 26 afzonderlijke wetten en honderden regels in één stelsel. Alles wat raakt aan bouwen, milieu, erfgoed, natuur en gezondheid valt voortaan onder dezelfde wet.
Freyja Ricken-Cleven, senior juridisch adviseur omgevingsrecht bij Haute Equipe, legt uit dat de fragmentatie van het oude stelsel een belangrijk knelpunt was. “Als je een project organiseerde dat invloed had op verschillende aspecten van je leefomgeving, was het heel lastig om te weten waaraan je dat moest toetsen. De nieuwe wet wil die discrepantie eruit halen.”
De reikwijdte van de wet is nadrukkelijk breder dan alleen bouwen: het gaat om een goede, gezonde fysieke leefomgeving voor iedereen, waarin belangen als natuur, gezondheid, werkgelegenheid en leefbaarheid integraal worden afgewogen.
“In de nieuwe wet heeft groen een plek gekregen, net als de inrichting van de openbare ruimte en gezondheid.”
In de praktijk gebeurt dat via het principe van ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ – de vraag of een bepaalde functie op een bepaalde plek ook daadwerkelijk wenselijk is voor de omgeving.
De zachte kant van gebiedsontwikkeling
Masja Cohen, senior adviseur bij Haute Equipe, ziet in die integrale benadering kansen voor wat zij de zachte kant van gebiedsontwikkeling noemt.
“Voorheen was er een grote scheiding tussen het stenen stapelen en de leefbaarheid van een gebied”, legt ze uit. “In de nieuwe wet heeft groen een plek gekregen, net als de inrichting van de openbare ruimte en gezondheid.”
Cohen benadrukt dat het niet alleen gaat om bewoners raadplegen, maar ook om het inschakelen van experts. “Denk aan specialisten die weten hoe je de buitenruimte zo inricht dat het ecologisch en milieutechnisch gezond is – met speelveldjes, fietsroutes, ontmoetingsplekken. Het gaat om zowel de fysieke als de mentale gezondheid.”
Van die twee is fysieke gezondheid beter meetbaar – inclusief wetenschappelijke onderzoeken waarnaar kan worden verwezen. Bij mentale gezondheid is dat veel minder het geval, waardoor het voor bijvoorbeeld gemeenten spannend is om dit te betrekken in de afwegingen.
Volgens Ricken-Cleven doen gemeenten er goed aan hier moed te tonen: “De term ‘gezondheid’ in de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om naar beide aspecten van gezondheid te kijken, en de behoefte aan leefbare wijken voor iedereen vraagt ook om dit aspect wel te betrekken.”
Participatie: Kernwaarde zonder harde plicht
Participatie heeft in de Omgevingswet een prominentere plek gekregen dan in de oude wetgeving. Bij het vaststellen van een omgevingsplan – de opvolger van het bestemmingsplan – moeten gemeenten inwoners, bedrijven en organisaties betrekken.
“Participatie is een van de kernwaarden van de wet, maar het is een heel zachte doelstelling.”
Bij individuele vergunningsaanvragen is participatie echter lang niet altijd verplicht, legt Ricken-Cleven uit. Alleen bij een zogeheten buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), wanneer een plan afwijkt van het omgevingsplan, kan de gemeenteraad participatie als voorwaarde stellen.
“Participatie is een van de kernwaarden van de wet, maar het is een heel zachte doelstelling. Dat is jammer”, aldus Ricken-Cleven.
Cohen vult aan dat participatie bovendien vaak op het verkeerde moment plaatsvindt. “In de praktijk wordt er iets bedacht en daarna pas gevraagd: ‘Wat vinden jullie hiervan?’. Terwijl je aan de voorkant wil vragen: ‘Wat vinden jullie belangrijk in deze omgeving?’ Zeker in gebieden waar mensen het wat minder hebben – en andere behoeften hebben dan achter een bureautafel worden verzonnen.”
Goede bedoeling, lastige uitvoering
Beide adviseurs zijn het erover eens dat de ambities van de wet goed zijn, maar dat de uitvoering op punten nog knelt. “Het was de bedoeling dat de wet voor iedereen leesbaar zou zijn, maar dat is niet gelukt”, aldus Ricken-Cleven. “Je hebt echt iemand nodig om erdoorheen te komen.”
Cohen ziet ook op gemeentelijk niveau verbeterpotentieel. Veel gemeenten werken nog met planfases die niet zijn ingericht op de integrale benadering die de wet beoogt. “Als je wil bouwen voor de mensen die er straks wonen, moet je die mensen veel eerder bij het proces betrekken. De wet biedt daar de ruimte voor – nu is het aan gemeenten om die ook te benutten.”
