AT Osborne helpt waterbeschermingsprogramma met financieel kader
De komende jaren moeten verschillende overheidslagen flink investeren in onze waterbescherming. Maar hoe worden deze kosten verdeeld? AT Osborne stelde in 2021 een financieel kader vast. Deze maand presenteerde het adviesbureau een verbeterde versie hiervan.
Het betreft een verdeelsleutel binnen het zogeheten Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Dat is een alliantie van de 21 Nederlandse waterschappen en Rijkswaterstaat. Doel van het HWBP is het versterken van minimaal 1.500 kilometer aan dijken en ongeveer 500 sluizen en gemalen vóór het jaar 2050.
Hiermee wil Nederland zich wapenen tegen de gevolgen van de opwarming van de aarde. Naast dat de zeespiegel stijgt, krijgen we ook steeds vaker te maken met weerextremen en natuurrampen. Dit maakt Nederland kwetsbaarder voor overstromingen. Het HWBP wil het risico daarop verkleinen.

De partijen binnen het HWBP betalen de waterbeschermingsprojecten gezamenlijk. Daarbij is de volgende verdeelsleutel afgesproken: de Rijksoverheid betaalt bij ieder project 50% van het bonnetje en de 21 waterschappen 40%. De overige 10% wordt betaald door het waterschap waarbinnen het project valt.
Voor de waterschappen is het van belang om zo vroeg mogelijk te weten wat de verwachte kosten van een project zijn, zodat ze een zo nauwkeurig mogelijke subsidieaanvraag kunnen indienen voor hun deel van het bonnetje.
“Bij de beoordeling daarvan ontbrak in het verleden een financieel kader”, vertelt Harm Haga, directielid binnen het HWBP. “Daardoor kregen de vele discussies over de kosten een nogal subjectief karakter. Dat werkte niet effectief. Vanuit deze situatie ontstond de behoefte aan een referentiekader, dat helpt om in een vroeg stadium een reëel gevoel te krijgen bij de kosten per project.”
Norm of richting?
In 2021 ontwikkelde AT Osborne een eerste versie van zo’n referentiekader. Vervolgens vroeg het HWBP het adviesbureau om dit kader door te ontwikkelen. Consultants Manuel Dijkstra, Allard Horstman, Olivier Schoemaker en Lotte van de Steenoven gingen ermee aan de slag. Ze namen verschillende interviews af met de waterschappen, het Rijk en de directie van HWBP.
Daarbij constateerden ze dat er verschillen waren in hoe het referentiekader gebruikt werd: “Zo waren er nogal wat partijen die het referentiekader zagen als een norm: ‘passen de kosten niet binnen het kader? Dan volgt er geen subsidie’.”
“Maar dat is nadrukkelijk niet de functie van het kader”, leggen Dijkstra en Schoemaker uit. “Het is vooral bedoeld om richting te geven. Met het kader als handvat begin je het gesprek over de kosten, om daarna in te gaan op specifieke elementen. Bij de doorontwikkeling hebben we dus een compleet hoofdstuk over het gebruik van het kader toegevoegd.”
“Het referentiekader vormt een prima basis voor het gesprek dat wij met de waterschappen voeren. Dat zal leiden tot gezonde besluiten over het verstrekken van subsidies.”
In het nieuwe referentiekader zijn daarnaast de recente stijgingen van de bouwkosten meegenomen. Ook zullen de gegevens per project beter worden bijgehouden en verzameld als basis voor het doorontwikkelen van het referentiekader.
Verder heeft de vernieuwde versie meer oog voor de verschillen tussen de diverse projecten bij de verschillende waterschappen. Het maakt immers uit of het om een kleine of grote dijkversterking gaat, om een stedelijke of landelijke locatie, of om een bestaand of een nieuw project.
Dergelijke factoren, die een project compliceren, zijn in het referentiekader ondergebracht in complexiteitscategorieën. “Wij konden als onafhankelijke partij het gesprek tussen de waterschappen en de programmadirectie van het HWBP faciliteren en met objectieve informatie helpen om tot goede keuzes te komen”, aldus Dijkstra en Schoemaker.
“Als bijvangst vormt het referentiekader eveneens een prima hulpmiddel voor projecten en programmeringsvragen die verder in de toekomst liggen”, leggen ze uit. “Het biedt een handvat om nu alvast een eerste raming van de kosten te maken.”
Realistischer en betrouwbaarder
HWBP-directielid Haga is tevreden over het nieuwe referentiekader. “Het vormt een prima basis voor het gesprek dat wij met de waterschappen voeren. Dat zal leiden tot gezonde besluiten over het verstrekken van subsidies. Het HWBP wordt hiermee realistischer en betrouwbaarder. Dat komt de voortgang van dit belangrijke dijkversterkingsprogramma ten goede.”
Daarnaast prijst hij de procesaanpak van AT Osborne. “De aanpak, waarbij AT Osborne met de interviews en de klankbordgroep zo’n beetje alle partijen uit onze alliantie betrok, heeft eraan bijgedragen dat de samenwerking tussen de programmadirectie en de waterschappen echt verbeterd is.”
Mede vanwege hun “hoge mate van loyaliteit” en bereidheid om zaken op te pakken, ervoer Haga de consultants “als een verlengstuk van onszelf”, zo geeft hij tot slot aan. “Wat overigens niet wil zeggen dat de Osborners het overal mee eens waren. In tegendeel: ze stelden zich kritisch op. Iedereen kan ‘ja’ knikken, maar als programmadirectie vonden wij het erg prettig om alternatieve suggesties te krijgen.”

