Rijksoverheid heeft diversiteit op orde, maar doorstroom naar de top hapert

30 mei 2018 Consultancy.nl

De Rijksoverheid heeft haar diversiteitsbeleid in grote lijnen op orde. Dat blijkt uit een doorsnee van het totale personeelsbestand van het Rijk. Het beleid is echter niet vlekkeloos. Het aandeel Rijksambtenaren met een migratieachtergrond is wel representatief voor het aandeel van deze groep in de beroepsbevolking, maar circa negen van tien topfuncties worden bekleed door Nederlanders. Hoewel er in absolute zin sprake is van diversiteit, is er hiermee slechts een geringe spreiding van macht.

De Rijksoverheid heeft haar mond vol over diversiteit op de werkvloer. Zo verplicht de Wet banenafspraak werkgevers vóór 2027 zo’n 75.000 extra banen te creëren voor mensen met een handicap, zijn er vrouwenquota en worden werkzoekenden met een niet-Nederlandse achtergrond in vacatures expliciet aangemoedigd om te solliciteren. Toch geeft het Rijk niet op alle terreinen zelf het goede voorbeeld. Dat blijkt uit een analyse van de researchredactie van Consultancy.nl op basis van de gepubliceerde jaarrapportage van de bedrijfsvoering van het Rijk.

Omvang Rijkspersoneel

Het Rijk is met een personeelsbestand van 110.649 voltijdsmedewerkers de grootste werkgever van ons land. De meeste werknemers zijn actief voor het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Veiligheid en Justitie, respectievelijk 29.321 fte’s en 27.276 fte’s. Aan het totale Rijkspersoneel dat in dienst is van de tien ministeries werd het afgelopen jaar circa €8,2 miljard uitgegeven. Dat bedrag omvat onder meer salarissen, uitkeringen, vakantiegeld en pensioenen.

Aantal medewerkers actief binnen de Rijksoverheid

Als alle activiteiten van de Rijksoverheid worden meegeteld, dan komt het personeelsbestand uit op zo’n 275.000 medewerkers. Dat is inclusief de Politie – die beschikt over ongeveer 61.000 voltijdsmedewerkers – het Ministerie van Defensie – dat een beroep kan doen op zo’n 55.000 fte’s – en de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s), zoals het CBR, Staatsbosbeheer en De Nederlandsche Bank, die tezamen ongeveer 40.000 werknemers hebben. In totaal zijn deze 275.000 ambtenaren goed voor circa €12,4 miljard aan salariskosten.

Daarnaast geeft het Rijk over de gehele linie nog meer uit aan arbeidskrachten. Uit gegevens blijkt dat er het afgelopen jaar 5.800 uitzendkrachten zijn ingehuurd door de verschillende ministeriële instanties. Dat aantal daalt sinds enkele jaren wel: in 2015 telde de ministeries circa 7.100 uitzendkrachten, een jaar later waren dat er ruim 6.100. Verder koopt het Rijk jaarlijks voor honderden miljoenen euro’s aan expertise in. Denk daarbij bijvoorbeeld aan externe consultants die het Rijk ondersteunen op het gebied van interim-management, organisatie-, communicatie- en beleidsadvies. Verder worden technische professionals ingehuurd, want het Rijk kampt met een structureel tekort aan geschoold IT-personeel. In totaal werd in 2017 €1,3 miljard uitgeven aan externe krachten.

Migratieachtergrond

Van de ruim 110.000 voltijdsmedewerkers heeft momenteel 10,3% een niet-Westerse migratieachtergrond. Dat blijkt uit een analyse van de gegevens van P-Direkt, de HR-dienstverlener van en voor de Rijksoverheid. De cijfers tonen dat het aandeel Rijksmedewerkers met een niet-Westerse migratieachtergrond de afgelopen jaren wel is toegenomen: in 2013 besloeg het aandeel namelijk nog 8,7%. De grote instroom van Rijksmedewerkers met een niet-Westerse achtergrond ligt ten grondslag aan deze toename. In 2017 traden 7.755 nieuwe Rijksambtenaren in dienst, waarvan circa 1264 met een niet-Westerse migratieachtergrond (16,3%). In datzelfde jaar verlieten 6.796 ambtenaren het Rijk, waarvan ongeveer 767 (11,3%) met een niet-Westerse migratieachtergrond.

Diversiteit binnen de Rijksoverheid

Het toenemende aandeel van Rijksambtenaren met een niet-Westerse migratieachtergrond is een ontwikkeling richting meer diversiteit. Het blijkt bovendien dat het Rijk zich op dat gebied reeds behoorlijk ontwikkeld heeft. Zo bestaat de totale Nederlandse beroepsbevolking uit 9,017 miljoen personen, waarvan 994.000 een niet-Westerse migratieachtergrond hebben, wat neerkomt op een aandeel van 11,02%. Dat betekent dat het percentage Rijksambtenaren met een niet-Westerse migratieachtergrond met 10,3% slechts 0,72 procentpunt lager uitkomt, en slechts 1,7 procentpunt lager dan het aandeel mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond binnen de Nederlandse bevolking (12%).

Over de hele linie genomen, is het personeelsbeleid van het Rijk op het gebied van diversiteit dus redelijke op orde. Wel zijn er tussen de verschillende ministeries grote verschillen waarneembaar. Vier van de twaalf departementen presteren boven het gemiddelde aandeel van 10,3%: Rechtspraak (10,9%), het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (23,8%), het Ministerie van Veiligheid en Justitie (11,9%) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken (13,8%). Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is met een percentage van 23,8% koploper en heeft daarmee zelfs tweemaal het representatieve aandeel van Rijksambtenaren met een niet-Westerse achtergrond in dienst.

Naast mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond, kent ons land natuurlijk ook mensen met een Westerse migratieachtergrond. Volgens het CBS zijn dat personen met als migratieachtergrond een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, en Indonesië en Japan*. In het kader van het diversiteitsbeleid, wordt er ook naar gestreefd dat zij proportioneel vertegenwoordigd zijn. Van de totale bevolking heeft 10,1% een Westerse migratieachtergrond, van de totale beroepsbevolking is dat percentage zo’n 9,8%. Ook hier kent het personeelsbestand van het Rijk een redelijk overeenkomstig aandeel, namelijk 9,2%.

Aandeel van Rijksmedewerkers met een niet-westerse migratieachtergrond

Gebrek aan verticale diversiteit

Terwijl de bovenstaande analyse laat zien dat het diversiteitsbeleid van het Rijk zijn vruchten lijkt af te werpen wat betreft hun totale aandeel in het personeelsbestand, blijkt uit nadere inspectie dat van zogenaamde verticale diversiteit nog lang geen sprake is. Een onderzoek naar de salarissen laat namelijk zien dat alle topfuncties – die vallen onder schaal 17, zoals bijvoorbeeld een secretaris-generaal – slechts voor 1,3% zijn bezet door Rijksambtenaren met een niet-Westerse migratieachtergrond, wat uiteraard in schril contrast staat met de eerder besproken representatieve percentages.

Ook de schalen 16 tot en met 10 kennen allen minder dan 8% aan medewerkers met een niet-Westerse migratieachtergrond. Schaal 10 komt bijvoorbeeld overeen met een startersfunctie voor universitair afgestudeerden, zoals een traineeship bij het Ministerie van Financiën (met een bruto salaris van €2.500 per maand). Ruim 80% van de hogere functies en bijna 90% van de topfuncties binnen het Rijk worden dus bezet door autochtone Nederlanders. Daarbovenop bestaat de RSO – de Rijksschoonmaakorganisatie – voor meer dan 63% uit medewerkers met een niet-Westerse migratieachtergrond, die uiteindelijk na acht jaar trouwe dienst uitkomen op een salaris van maximaal €2.100 bruto per maand.

In tegenstelling tot zij met een niet-Westerse achtergrond, heeft de groep met een Westerse migratieachtergrond wel een representatieve aanwezigheid binnen de verschillende salarisschalen. Van schaal 1 tot en met schaal 16 schommelt het aandeel van deze groep rond de 9%, terwijl in de topambtenarenschaal – schaal 17 – een percentage van 12,3% wordt genoteerd.

Een verticaal inclusief personeelsbeleid gaat uiteraard verder dan enkel een toetsing op salarisschalen. Zo zijn er belangrijke organen, met veel inspraak en invloed, zoals adviescolleges, die gelden als graadmeter. De Rijksoverheid heeft drie typen adviescolleges en commissies die op topniveau beleidsbepalers adviseren. Dit zijn de ambtelijke adviescommissies over beleid of wetgeving, de onafhankelijke, externe adviescommissies over de uitvoering van beleid of (voorgenomen) beschikkingen en de onafhankelijke, externe adviescolleges over nieuw beleid en wetgeving. Zo heeft het Ministerie van Financiën de Commissie onderzoek sanering Thermphos, het Ministerie van Veiligheid en Justitie de Adviescommissie levenslanggestraften en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef.

Salarisschaal naar etniciteit

De Rijksoverheid kent tientallen actieve adviescolleges en commissies. Een analyse van de gegevens van 2016 laat zijn dat slechts 4 van de 29 adviescolleges en commissies leden hadden met een niet-Westerse migratieachtergrond. Deze adviescolleges en commissies beschikten in het totaal over ruim 350 leden. Uit de data blijkt dat slechts 6 van deze 350 leden een migratieachtergrond hebben**. Kortom, binnen de kamers waar de strategische invloed en inspraak huist, is het percentage van leden met een niet-Westerse migratieachtergrond minder dan 2%. Het is opmerkelijk te noemen dat in het meest recente rapport van het Rijk deze data achterwege is gelaten.

De Rijksoverheid tracht het goede voorbeeld te geven ten aanzien van diversiteit, maar slaagt daar slechts deels in. Wanneer het aankomt op het representatief verdelen van macht, is er nog veel terreinwinst te boeken. Het Rijk erkent wel openlijk dat er nog stappen te zetten zijn: “In 2018 zal het Rijk bezien via welke (aanvullende) acties en instrumenten verder kan worden gewerkt aan het bevorderen van (etnische) diversiteit.”

Op grond van hun sociaaleconomische en sociaalculturele positie worden personen met een migratieachtergrond uit Indonesië en Japan tot de Westerse migratieachtergrond gerekend.

** Van een aantal adviescolleges en commissies, zoals de Gezondheidsraad, is het expliciet onbekend welke achtergrond leden hebben.

Nieuws