Innameplicht kan statiegeldsysteem verbeteren, maar wie betaalt de rekening?
Een wettelijke innameplicht voor verkooppunten van flesjes en blikjes kan het Nederlandse statiegeldsysteem effectiever maken. Voor ondernemers zijn hier echter financiële en praktische lasten aan verbonden. Dat blijkt uit een nieuwe analyse van CE Delft. Het is nu aan de politiek om de rekening te verdelen.
Vorig jaar voerde het advies- en onderzoeksbureau samen met de Universiteit Utrecht een onderzoek uit naar de effectiviteit van ons statiegeldsysteem. Daaruit bleek dat het inzameldoel van 90% nog niet was behaald; ongeveer 80% van alle statiegeldblikjes en -flessen werd teruggebracht naar een inzamelpunt.
Uit de studie kwam ook naar voren dat het invoeren van een innameplicht voor verkooppunten een beleidsoptie is om het statiegeldsysteem te verbeteren. Maar hoe richt je die innameplicht precies in? Met die vraag klopte het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat opnieuw aan bij CE Delft.
Vier varianten
Het bureau vergeleek vier varianten: een algemene innameplicht voor alle verkooppunten, een uitzondering voor verkooppunten onder een bepaalde vloeroppervlakte, uitzonderingen voor bepaalde sectoren en een systeem waarin bijvoorbeeld lokale ondernemers gezamenlijk één innamepunt onderhouden.
Uit de vergelijking komt geen variant naar voren die op alle punten het beste scoort. De centrale afweging is die tussen enerzijds het gemak voor de consument en een hogere effectiviteit van het statiegeldsysteem, en anderzijds extra lasten voor ondernemers.
Een innameplicht zonder uitzonderingen zorgt voor de meeste nieuwe inzamelpunten. CE Delft verwacht dat deze variant het inzamelpercentage het snelst zal verhogen. Tegelijkertijd zorgt deze aanpak voor de zwaarste lasten bij verkooppunten. Varianten met uitzonderingen ontzien ondernemers, maar leveren minder extra innamepunten op. Op zijn beurt zorgt dat voor minder consumentengemak en milieuwinst.
Uitzonderingen maken regelgeving ingewikkelder
De onderzoekers zien goede redenen om bepaalde verkooppunten uit te zonderen. Denk bijvoorbeeld aan horecagelegenheden waar drankjes ter plaatse worden geconsumeerd, aan onbemande drankautomaten of aan bepaalde vormen van onlineverkoop. Als de kosten van inname daar hoog zijn terwijl nauwelijks extra verpakkingen worden ingezameld, kan een uitzondering het systeem efficiënter maken.
Maar uitzonderingen hebben in het algemeen wel een prijs: de regelgeving wordt er ingewikkelder van. Dat komt doordat de overheid precies moet vastleggen welke winkel, horecazaak of andere verkoper wel of niet onder de plicht valt. Dat kan vooral lastig worden bij bedrijven die meerdere functies combineren.
Buitenlandse ervaringen wijzen er volgens CE Delft wel op dat een innameplicht praktisch uitvoerbaar is. Een bemoedigend gegeven is dat in verschillende andere landen sommige formeel uitgezonderde ondernemers toch vrijwillig verpakkingen innemen, onder meer omdat ze vrezen anders klanten te verliezen.
Aanbevelingen
Volgens CE Delft draait het niet om een keuze tussen zo veel of zo weinig mogelijk uitzonderingen. Een uitzondering moet worden beoordeeld op haar doeltreffendheid én doelmatigheid. Dit voorkomt bijvoorbeeld dat hotspots voor zwerfafval buiten de regelgeving vallen, terwijl bepaalde ondernemers niet onnodig worden verplicht tot inzameling zonder dat dit echt wat oplevert.
Voor het vastleggen van uitzonderingen is volgens de onderzoekers eerst een uitgebreide juridische analyse nodig. Zo moeten begrippen als ‘verkoopoppervlakte’, ‘gezamenlijke afspraken’ en ‘even toegankelijke middelen’ scherp worden gedefinieerd. Ook moeten ze passen binnen de Europese regelgeving die in 2029 in werking treedt.
Daarnaast bevat het rapport nog een praktische aanbeveling: expliciteer in de wetgeving dat een innameplicht ook daadwerkelijk een plicht tot inname betekent. Dit voorkomt dat consumenten naar huis moeten vanwege een kapotte statiegeldautomaat. Innamepunten zijn in zulke gevallen dan verplicht om flesjes en blikjes handmatig te verwerken.
Bestuurlijke reactie
Het rapport van CE Delft is begin deze zomer naar de Tweede Kamer gestuurd door Stientje van Veldhoven, minister van Klimaat & Groene Groei. In een begeleidende brief benadrukt ze dat het in ieders belang is dat de inzameldoelstelling van 90% zo snel mogelijk wordt behaald.
“Ook voor consumenten is het prettig om verpakkingen in te leveren in een goed functionerend statiegeldsysteem. Ik ga graag het gesprek aan met de Kamer over de beste manier om versneld de inzameldoelstelling te realiseren.”


