Deelfietsen in de G4: balanceren tussen nut en overlast

22 april 2021 Consultancy.nl 4 min. leestijd

De komst van deelfietsen stelde Nederlandse gemeenten de afgelopen jaren voor een dilemma: de fietsen kunnen waardevolle bijdrage vormen aan het mobiliteitsaanbod, maar ook voor veel overlast zorgen. Hoe voer je als gemeente een effectief beleid? KWINK groep deed onderzoek.

In de zomer van 2017 plaatsten ondernemers in Amsterdam zo’n 7.000 deelfietsen in de openbare ruimte, waardoor de toch al krappe ‘fietsmarkt’ verder oververhit raakte. Een gedeelte van de deelfietsen werd nauwelijks gebruikt, fietsrekken raakten vol, deelfietsen werden vernield of in grachten gegooid door geïrriteerde bewoners. De chaotische situatie leidde in de hoofdstad tot een algeheel verbod van deelfietsen.

Ook andere gemeenten moesten onder hoge tijdsdruk een beleid ontwikkelen om te voorkomen dat de verspreiding van allerlei niet gebruikte deelfietsen verder uit de hand liep. Volgens de onderzoekers van KWINK groep een lastig proces: door de unieke Nederlandse situatie waarin vrijwel iedereen een fiets heeft, kon geen enkele buitenlandse stad als representatief voorbeeld dienen. Gemeenten moesten dus een beleid ontwikkelen met beperkte kennis. Inmiddels hebben Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Amsterdam een vergunningsstelsel ingevoerd.

 Deelfietsen in de G4: balanceren tussen nut en overlast

Ook KWINK groep dook in de wereld van deelfietsen en deelscooters. Het bureau sprak met beleidsmedewerkers uit Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, evenals met CROW-Fietsberaad, het kenniscentrum voor fietsbeleid van de Nederlandse overheden.

Tevens woonden de onderzoekers de bijeenkomsten ‘Micromobiliteit: dilemma’s bij data-delen’ en ‘Deelmobiliteit in en met gemeenten’ bij. Het onderzoek heeft geresulteerd in vier concrete tips om gemeenten te helpen bij het opstellen van een optimaal deelfiets- en deelscooterbeleid.

Efficiënt gebruik van openbare ruimte

Want zo’n totaalverbod als in Amsterdam is misschien wel heel rigoureus. Ondanks de problemen die deelvoertuigen met zich mee kunnen brengen, bieden de fietsen en scooters wel degelijk ook een aantal voordelen.

Zo zorgen deelvoertuigen voor het minderen van autogebruik, nemen minder parkeerruimte in (voertuigen worden immers gedeeld) en dragen bij aan het voor-en natransport (‘het verbeteren van de ketenreis’), waarin de deelfietsen een aanvulling vormen op het openbaar vervoer. De onderzoekers stellen dan ook dat gemeenten goed voor ogen moeten hebben voor welke maatschappelijke uitdagingen deelfietsen een oplossing kunnen zijn.

Vervolgens moet een gemeente kiezen tussen drie ‘sporen’ van het te voeren beleid. Spoor 1 is ‘vrijheid voor de markt’, waarbij aanbieders alles volledig zelf bepalen. Daartegenover staat spoor 3: het subsidiëren van de deelfietsen, waarbij de gemeente zelf het initiatief neemt. Daartussenin zit spoort 2: het reguleren van de deelfietsen door een vergunningstelsel te creëren via de APV.

Tot nu toe zijn de vier gemeenten die laatste tussenweg ingeslagen – inclusief Amsterdam, waar het totaalverbod inmiddels is opgeheven en de gemeente plek heeft gemaakt voor 1.400 deelfietsen.

Samen leren

Volgens de onderzoekers is het belangrijk voor gemeenten om zich goed te verdiepen in de ervaringen van andere gemeenten en in de ‘Leidraad gemeentelijk deelfietsbeleid’ van CROW-Fietsberaad. Zo kan voorkomen worden dat belangrijke beleidskeuzes worden gemaakt op basis van halve informatie.

Tot slot moeten gemeenten bedenken hoe de beoogde resultaten gemonitord kunnen worden en welke indicatoren daarbij passen. Het Deelfietsdashboard van het kennisinstituut CROW-KpVV vormt hierbij een voorbeeld. Via dit dashboard kan overzicht worden gehouden op waar, hoeveel en hoelang deelfietsen stilstaan. Zo wordt de overlast van niet gebruikte en slecht geparkeerde deelfietsen beperkt en kunnen de fietsen efficiënter ingezet worden.

Volgens KWINK groep is het opstellen van beleid rondom deelvoertuigen nog steeds een leerproces, waarbij gemeenten ook met elkaar leren. “Om de maand zitten de G4 en Eindhoven samen om te spreken over deelmobiliteit, waardoor ze elke keer wat wijzer worden en schaven aan hun beleid. De vraag op de langere termijn is: hoe gaat het beleid in alle gemeenten in Nederland zich ontwikkelen.”