Gemeenten ambitieus op klimaat, maar moeten nog stappen zetten voor effectief beleid
De meeste Nederlandse gemeenten tonen zich ambitieus in het terugbrengen van hun CO2-uitstoot, zo blijkt uit onderzoek van Coppa. Toch is het de vraag of ze hun ambities ook gaan waarmaken. Gemeenten zouden nog stappen kunnen zetten in het monitoren en evalueren van beleid.
De Nederlandse klimaatambities zijn glashelder: in 2030 moeten we in Nederland 55% minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van 1990, terwijl de netto-uitstoot in 2050 tot nul moet worden gereduceerd.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft zich namens alle gemeenten verbonden aan de doelstellingen in het klimaatakkoord. Coppa vroeg zich daarom af hoe gemeenten er nu – ruim vijf jaar na de presentatie van het klimaatakkoord – voor staan.
Ambitieus
De VNG heeft zich aan het klimaatakkoord gecommitteerd, maar wat zeggen de gemeenten zelf? Coppa deed onderzoek op basis van openbare bronnen. Daaruit blijkt dat veel gemeenten het klimaatakkoord serieus nemen. Zo heeft 73% zich CO2-reductiedoelen gesteld voor 2030 en streeft 69% ernaar om (bijna volledig) klimaatneutraal te zijn in 2050.
Niet geheel onverwacht nemen grote gemeenten (meer dan 100.000 inwoners) het voortouw: 80% heeft uitgesproken CO2-reductiedoelen, terwijl ongeveer 20% al vóór 2050 klimaatneutraal wil zijn.
Opvallender zijn de verschillen die ontstaan als gekeken wordt naar huishoudelijke inkomens. Coppa vergeleek drie groepen: een groep gemeenten met gemiddeld hogere huishoudelijke inkomens, een groep gemeenten met gemiddeld lagere huishoudelijke inkomens en een middengroep.
Het blijkt dat de laatste twee groepen het vaakst minimaal hetzelfde ambitieniveau hebben als afgesproken in het klimaatakkoord: 48% voor gemeenten met gemiddeld lagere inkomens en 58% voor de middengroep, tegenover 33% voor de groep met gemiddeld hogere inkomens.
“Het is dus niet zo dat klimaatbeleid ambitieuzer is in gemeenten met gemiddeld rijkere huishoudens”, concluderen de onderzoekers.
Wat verder opvalt is dat er ook gemeenten zijn die de doelstellingen niet expliciet omarmen. Dat is volgens Coppa niet omdat ze CO2-reductie onbelangrijk vinden, maar omdat het een verwachte bijwerking is van andere beleidsdoelen.
“Zo zijn er gemeenten die zich nadrukkelijk richten op energieneutraliteit en/of circulariteit en daarbij de verwachting uitspreken dat dit klimaatneutraliteit als neveneffect heeft”, leggen de onderzoekers uit.
Beleid blijft achter
De CO2-reductie moet ergens gerealiseerd worden. Zo ligt het voor de hand dat gemeenten inzetten op bijvoorbeeld het vergroenen van gemeentelijk vastgoed en wagenparken, en dat iedere inkoper als onderdeel van aanbestedingsprocedures stevige duurzaamheidseisen stelt aan leveranciers.
De uitgesproken ambities, en het feit dat de deadline om de netto-uitstoot naar nul te reduceren aan de horizon gloort, scheppen de verwachting dat gemeenten hierover duidelijke plannen hebben.
Dit valt – afgaande op de onderzochte bronnen – echter tegen. Coppa onderzocht het aantal beleidsterreinen waarop gemeenten de CO2-reductie willen bewerkstelligen. Het blijkt dat zeker 60% van de onderzochte gemeenten inzet op minder dan drie beleidsterreinen.
Monitoren
Reële doelstellingen en goed beleid vereisen kennis. Een gemeente die in 2030 55% reductie beoogt ten opzichte van 1990 heeft bijvoorbeeld een nulmeting nodig om te weten met hoeveel ton de uitstoot concreet moet worden teruggebracht.
Daarnaast moet een inschatting gemaakt worden van de effectiviteit van het beleid en moet de voortgang gemonitord worden. Zonder deze kennis kunnen onvolkomenheden in het ingezette beleid niet worden gesignaleerd en kan er ook niet tijdig worden bijgestuurd.
Gemeenten lijken op dit vlak nog stappen te kunnen zetten. Bovenstaande grafiek geeft aan dat van slechts een derde van de onderzochte gemeenten kan worden vastgesteld dat deze de intentie hebben om de CO2-uitstoot te monitoren en van 22% is vastgesteld dat ze bekend zijn met de bronnen van de uitstoot.
Ook bij het inzichtelijk maken van de bronnen valt op dat de gemeenten met hogere inkomens het minder goed lijken te doen. Zo houdt bijna een kwart van de gemeenten met gemiddeld lagere huishoudelijke inkomens zijn CO2-uitstoot bij en heeft meer dan 20% de bronnen van de uitstoot inzichtelijk gemaakt, fors meer dan bij de gemeenten met hogere inkomens het geval is.
Meer goede wil dan kennis
Al met al concludeert Coppa dat de goede wil van gemeenten evident is: “Een forse meerderheid heeft uitgesproken ambities op het gebied van klimaatneutraliteit en hier wordt ook beleid op gemaakt.”
De opgave is echter groot en vraagt meer van gemeenten, met name op kennisvlak. “Zo is het essentieel om te weten waar de uitstoot vandaan komt, hoe deze zich ontwikkelt en welke impact het ontwikkelde beleid hierop heeft.”
Coppa pleit dan ook voor meer inzet op het vergaren en bijhouden van deze informatie. “Dan kunnen gemeenten in de nabije toekomst gerichter beleid voeren en, wellicht, de doelstellingen uit het klimaatakkoord waarmaken.”

