AI op de werkvloer: Nederlandse bedrijven blijven hangen in experimenten
Nederlandse organisaties zijn terughoudend met kunstmatige intelligentie. Volgens onderzoek van InSpark blijven de meeste bedrijven steken in de experimenteerfase. Slechts 8% heeft de technologie organisatiebreed ingezet. Hoewel de wil er is, blijken een gebrek aan kennis en koudwatervrees de adoptie te remmen.
Bij de introductie van transformatieve technologieën – van de stoomtrein tot het internet – ontstaat steevast dezelfde dynamiek: er is een groep vroege omarmers, een sceptische achterhoede en een groot, afwachtend middensegment. In de huidige AI-revolutie lijkt Nederland, gedreven door koudwatervrees, vooralsnog comfortabel in die afwachtende groep te blijven.
Volgens Sanne Cornelissen, gedragspsycholoog en expert op het gebied van werken en AI, zit de bottleneck dan ook niet in de systemen zelf. “De grootste uitdaging is niet de technologie, maar ons gedrag. We weten dat AI kan helpen, maar door onwetendheid of tijdgebrek benutten we het niet.”
Deze terughoudendheid leidt ertoe dat potentie onbenut blijft. “Als je niet weet hoe iets werkt, gebruik je het niet en ga je AI ook niet in bedrijfsprocessen verwerken.”
Gevangen in het experiment
De cijfers uit het InSpark-onderzoek bevestigen dit beeld. De meerderheid van de Nederlandse organisaties (56%) zit nog vast in de experimenteerfase: 31% verkent de mogelijkheden met losse initiatieven en 25% test alleen in kleinschalige pilots. Slechts een kwart zet AI structureel in binnen meerdere processen.

Dit beeld steekt scherp af tegen de situatie in de Verenigde Staten. Daar gebruikt 78% van de middelgrote en grote organisaties AI al in ten minste één bedrijfsfunctie en zet 71% generatieve AI structureel in als onderdeel van hun processen.
Kennis, data en een te nauwe focus
Waar komt deze Nederlandse terughoudendheid vandaan? Het rapport laat zien dat de barrières tweeledig zijn.
Enerzijds zijn ze praktisch: de meest genoemde obstakels zijn een gebrek aan interne kennis en expertise (59%) en een tegenvallende kwaliteit van data (54%). Anderzijds lijkt de strategische focus beperkt. De belangrijkste reden die organisaties noemen om AI in te zetten, is het efficiënter maken van werkprocessen (34%), nog vóór het versnellen van innovatie (23%).

Deze uitdagingen verschillen bovendien sterk per sector. In de zorg spelen beveiligingsrisico’s en een gebrek aan expertise een grote rol, terwijl de financiële sector en de overheid vooral worstelen met datakwaliteit en compliance.
Cornelissen merkt op dat sectoren als IT en finance vooroplopen terwijl de overheid en zorg terughoudender zijn, vaak vanwege privacy en complexere inkoopprocessen.
De strategische blinde vlek
Juist omdat de focus zo ligt op die praktische hobbels en kortetermijnefficiëntie, kijken organisaties volgens Cornelissen op de verkeerde manier naar de technologie. “Op korte termijn wordt AI vaak overschat, maar op lange termijn onderschat.”
De focus op directe productiviteitswinst maskeert volgens haar de echte strategische kans.
Het Nederlandse bedrijfsleven staat op een keerpunt, stelt ze, waarbij het tijd is om de gedragskant serieus te nemen. “AI kan ons tijdwinst geven, maar de winst zit niet alleen in productiviteit. De winnaars zijn de bedrijven die AI niet alleen zien als efficiëntietool, maar ook bewust nadenken over hoe de gewonnen tijd wordt besteed.”
