Kleinere mbo-scholen hebben beter imago, vakscholen blinken uit

31 januari 2018 Consultancy.nl

Eén van de belangrijkste vragen die aanstormende mbo-leerlingen bezighoudt is: ‘Zal ik kiezen voor een groot en gerenommeerd ROC of juist voor een kleinere, minder bekende onderwijsinstelling?’ Kleinere scholen blijken over de hele linie een beter imago te hebben onder de studenten, waarbij vooral vakscholen uitblinken. Dat blijkt uit onderzoek uitgevoerd door onderwijsadviseur The Next School.

In Nederland volgden in het afgelopen studiejaar (2016/2017) meer dan 483.000 studenten een opleiding in het middelbare beroeps onderwijs (mbo), verspreid over in totaal 66 mbo-onderwijsinstellingen. 60% van de Nederlandse mbo-studenten volgt een opleiding aan een groot Regionaal opleidingscentrum (ROC), met meer dan 10.000 studenten. Nog eens 24% van de mbo'ers studeert aan een ROC met 5.000 tot 10.000 studenten. Een veel kleiner deel studeert aan een vakschool (6%) of AOC (5%). Ter vergelijking, het hoger beroepsonderwijs (hbo) telde vorig schooljaar circa 446.000 studenten en het wetenschappelijk onderwijs (wo) ruim 267.000.

Van de studenten met een mbo niveau 4-diploma (het hoogste niveau binnen het mbo) stroomt jaarlijks ongeveer 40% door naar het hbo. Een opvallende trend daarbij de afgelopen jaren, is dat een steeds kleiner percentage vervolgens ook daadwerkelijk een hbo-diploma weet te bemachtigen. Behaalde in 2006 nog 60% van de doorstromers hun hbo-diploma, zo lag dat percentage in 2016 nog maar op 50%.

Onderzoek The Next School

Uit een recent onderzoek – uitgevoerd door The Next School, een nieuw advieskantoor op het gebied van data en applicaties voor onderwijsinstellingen – blijkt dat het vooral de kleinere mbo-instellingen zijn die door studenten beter worden beoordeeld. Die conclusie is getrokken door te kijken naar de JOB-monitor, volgens de adviseurs van The Next School bij gebrek aan beter de meest bruikbare metrische tool om kwaliteit van een instelling te bepalen.
Kleinere instellingen worden beter beoordeeld dan grotere instellingenDe vraag is: ‘Hoe komt het dat kleinere scholen hoger worden gewaardeerd?’ De auteurs wijzen op drie aspecten. Als eerste wijzen ze erop dat het bij grote instellingen lastiger is om iets snel te signaleren en aan te pakken. Quinten Smit, medeoprichter van The Next School: “We zien dat bij kleine instellingen bestuurders gemakkelijk overzicht kunnen houden. Daardoor worden problemen veel sneller zichtbaar.” Hij weidt uit: “De lijnen tussen staf van de onderwijsinstelling en studenten zijn korter, waardoor mogelijke kwaliteitsbehoeften eerder boven komen drijven.”

Als tweede reden wijst Smit op het datagedreven beleid van mbo-instellingen: “Bestuurders van kleinere instellingen hebben vaak nog direct zicht op verzuim, student- en docentprestaties. Voor grote partijen is het lastiger om dit overzicht te bewaren. Zo kan het gebeuren dat bij grote instellingen problemen met bijvoorbeeld verzuim pas jaren later naar boven komen. Hij merkt op dat de grotere partijen de waarde van data steeds meer gaan inzien: “Strategische data-analyse biedt bestuurders tóch de kans om te zien waar ze extra aandacht aan moeten geven. Juist voor deze instellingen is datagedreven werken enorm belangrijk om problemen en vervolgens negatieve publiciteit te voorkomen”

Jan-Willem van Putten, de tweede oprichter, wijst als derde punt op het feit dat sommige kleine instellingen meer kostenbewust opereren: “Sommige instellingen letten meer op kosten buiten het primaire onderwijsproces (bijvoorbeeld inkoop en huisvesting) en hebben daardoor meer geld over voor dit primaire onderwijsproces (bijvoorbeeld voor goede docenten). Op deze manier kunnen we ook verklaren waarom scholen met hoge solvabiliteit vaak ook meer kwaliteit bieden; ze worden namelijk gemiddeld genomen beter gemanaged.”

Vooral vakscholen blinken uit

Een tweede, diepere blik op de materie laat zien dat het vooral de vakscholen zijn (6% van de instellingen) die zo goed scoren en veel beter worden beoordeeld dan andersoortige scholen. Naast het feit dat deze instellingen veel minder studenten tellen, kan een andere verklaring bijvoorbeeld zijn dat studenten van vakscholen een duidelijker beeld van zichzelf en de gekozen opleiding hebben, stellen de onderzoekers. Daarnaast zijn de vakscholen niet meegegaan in de ROC-vorming in de jaren 90, waarin de talloze kleine mbo-instellingen van het verleden zijn samengevoegd tot massale scholen. Daardoor zijn ze herkenbaar gebleven voor alumni, die daardoor meer betrokken zijn bij het onderwijs – heel belangrijk voor mbo-instellingen.

Zonder vakscholen is het negatieve verband tussen kwaliteit en de omvang van instellingen gering

Wanneer de vakscholen uit de analyse worden weggelaten, dan blijkt bovendien dat de relatie tussen tevredenheid en grootte van de instelling een stuk geringer wordt. Van Putten erkent dat dit de hypothese dat kleinere scholen kwalitatief beter opereren afzwakt, maar merkt wel op: “Dit neemt natuurlijk niet weg dat een verschil in ervaren kwaliteit ook nog steeds het gevolg kan zijn van de kleinere hoeveelheid studenten aan deze instellingen. Er zijn immers maar weinig ROC’s met de grootte van een vakschool”.

Ook de manier waarop ROC’s omgaan met studenten in deze opleidingen kan van invloed zijn. Uit voor het onderzoek afgenomen interviews met docenten en beleidsmedewerkers, bleek dat sommige instellingen zoveel mogelijk autonomie aan de opleidingsgroepen geven. Deze instellingen hopen dat de individuele student op deze manier meer aandacht krijgt en niet verandert in ‘een nummer’. 

Aanvullende hypotheses

Van Putten geeft aan dat er uit het onderzoek mogelijk ook nog andere hypotheses naar voren komen, die de verschillen in onderwijskwaliteit kunnen verklaren. Hij wijst bijvoorbeeld op de verschillen in feedbackcultuur tussen diverse mbo-instellingen: “We zien enorme verschillen in de omgang met feedback. Bij enkele instellingen worden afdelingsmanagers, beleidsmedewerkers en docenten uitgedaagd om goed te presteren.” Smit vult aan: “Sommige instellingen proberen weliswaar met data te sturen maar kiezen voor de verkeerde metrics waar dan weer té direct consequenties aan worden verbonden. Het gebruik van data voor feedback zou een startpunt moeten zijn voor verdere discussie. De opleidingsteams die volgens de data minder presteren kunnen bijvoorbeeld leren van de teams die goed scoren.

“Zo hebben we bij sommige instellingen kwaliteitsbenchmarks tussen afdelingen gezien die weinig waarde toevoegen. Een heilig huisje is feedback richting individuele docenten, enerzijds ligt dat heel gevoelig, maar anderzijds is daar enorm veel te winnen”, voegt Van Putten hier op zijn beurt aan toe.

Sommige scholen bieden voor een aanzienlijk deel kleine opleidingen aan

Smit en Van Putten zien ook nog veel verschillen tussen instellingen als het gaat om het meegaan in positieve technologische ontwikkeling bij hun onderwijsvernieuwing. “Dit zit hem niet alleen in het doceren van de nieuwste technologie (die vaak al gemeengoed is in het bedrijfsleven) maar ook in het gebruik van technologie om gepersonaliseerd onderwijs mogelijk te maken. Technologische vernieuwing in het onderwijs is te vaak begonnen met iPads in de klas, terwijl aan de achterkant processen nog met formulieren en grote mappen worden geadministreerd”, aldus de onderzoekers. 

Kwaliteit verbeteren

Tot slot doen de auteurs ook enkele concrete aanbevelingen, waarmee de mbo-instellingen hun kwaliteit kunnen verbeteren. Allereerst is een focus op meer samenwerking essentieel. “Er vindt regelmatig overleg plaats tussen de verschillende instellingen, vooral binnen ‘de regio’. Op deze manier wordt bijvoorbeeld onderling verdeeld aan welke instellingen bepaalde opleidingen worden gegeven (om concurrentie te voorkomen). Wat ons betreft zouden deze overleggen beter onderbouwd kunnen worden met data. Daarnaast kunnen scholen op het gebied van dataverzameling beter samenwerken. Een goede stap op dit gebied is de landelijk ontwikkelde Planningstool, met daarin de voorspellingen voor de ontwikkeling van de studentenaantallen. Deze tool scheelt data-analisten door het hele land maanden werk. Van dit type zijn er nog wel meer samenwerkingen voor de hand liggend: niet alleen op datagebied. Samenwerking op het gebied van opleidingen en stages heeft de potentie om veel mbo-medewerkers vrij te spelen om het onderwijs verder te verbeteren.” 

Ook moeten mbo-instellingen een datagedreven beleid voeren. De onderzoekers stellen dat bij de meeste instellingen momenteel al veel data wordt bijgehouden over studenten, maar dat dit in veel gevallen vooral gebeurt voor operationele doeleinden, bijvoorbeeld om aan de eisen van de inspectie te voldoen. Data wordt echter nog slechts beperkt ingezet voor strategische doeleinden, en ook met beperkt succes. “Dit komt mede doordat de huidige dataweergaven daartoe vaak onvoldoende mogelijkheid bieden”, aldus Smit. 

Volgens de auteurs wordt data ook onvoldoende ingezet bij beleidsaspecten, zoals de optimalisering van huisvesting, het inzichtelijk maken van inkoopkosten door middel van een kostenkubus (wie koopt wat, in welke hoeveelheid, bij welke leverancier) en het monitoren en analyseren van doorstroom-, uitstroom- en verzuimdata. “Mbo-instellingen leiden mensen op om aan de slag te gaan op de arbeidsmarkt, maar hebben vaak opvallend weinig beeld bij de routes die hun alumni bewandelen”, leggen de onderzoekers uit: “Dit is wat de mbo-sector zo enorm interessant maakt: Er is ontzettend veel te verbeteren.”

Aantal MBO instellingen in Nederland

Verder raden ze scholen aan een eigen instrumentarium te ontwikkelen voor kwaliteitsmeting. Volgens de onderzoekers wordt vaak te weinig gedaan met evaluaties en andere datapunten (bijvoorbeeld aanwezigheid en cijfers) van individuele vakken, modules en docenten. “We hebben van een aantal mbo’s inmiddels benchmarks op teamniveau gezien. Hier is nog veel te verbeteren. Soms differentiëren deze zo weinig dat bepaalde (groepen van) opleidingen het ene jaar in de top drie staan en het volgende jaar onderaan bungelen, zonder dat er daadwerkelijk veel in de kwaliteit is veranderd.” Ook bleek uit de interviews dat vaak weinig werd gedaan met de uitkomsten van de benchmarks, “terwijl het hele benchmarkproces natuurlijk moet leiden tot gerichte veranderingen binnen teams.

Ten slotte is het zaak dat mbo-instellingen niet alleen voor bovenstaande zaken data gebruiken, maar ook om het leeraanbod zo goed mogelijk te personaliseren, iets dat in de praktijk nog altijd achterblijft, stellen de auteurs: “Vaak wordt gesteld dat een instelling overgaat op ‘gepersonaliseerd leren’, terwijl het in werkelijkheid om ‘gedifferentieerd leren” gaat.” Ook stellen ze dat de benodigde vereisten op het gebied van data bij gepersonaliseerd leren vaak onvoldoende worden belicht: “Goed uitgevoerd gepersonaliseerd onderwijs vergt een door en door datagedreven organisatie.”

Student centraal

Hoewel vrijwel alle aanbevelingen links of rechtsom te doen hebben met technologische toepassingen, benadrukken Smit en Van Putten dat het uiteindelijk vooral draait om één ding: de student centraal stellen. “Als je het complete carrièrepad van de individuele mbo-student in kaart brengt, kom je heel veel dingen tegen die beter zouden kunnen. Vaak is een oplossing in de technologiehoek mogelijk (denk bijvoorbeeld aan betere overdracht van leerlingdata vanuit de middelbare school, en vanuit het mbo naar hbo), maar vaak is ook daarbuiten van alles te verbeteren”, besluiten de onderzoekers.

Nieuws

×
A.T. Kearney Accenture ACE Adaptif Adlasz Adviesgroep Novius Anderson MacGyver Andersson Elffers Felix Annalise Arthur D. Little AT Osborne Atos Consulting Avantage Reply B&A Bain & Company Baker Tilly BCG Platinion BDO BearingPoint Berenschot Best Value Group Bisnez BlinkLane Consulting BluPoint BMC Boer & Croon Corporate Finance Boer & Croon Management Bostec Boston Consulting Group Bright & Company | People Strategy buro C5 Bvolve Capgemini Invent Centric Cmotions COMATCH Conclusion Considerati Count & Cooper De Kleine Consultant Deloitte Delta Capita Dimensys Ecorys Eden McCallum Energyprofs Enigma Consulting EY EY-Parthenon Finavista Finext First Consulting flowresulting Front Consulting Galan Groep GalanNXT Grant Thornton Groenewout Gupta Strategists Gwynt Hamstra & Partners Hermes | Partners Hospitality Group Hot ITem House of Performance IG&H Consulting & Interim Improven InContext innergo innogy Consulting INNOPAY Intermedius ITDS Business Consultants JBR JBR Interim Executives Kirkman Company KplusV KPMG Kruger KWINK groep Leeuwendaal M3 Consultancy Magnitude Consulting Magnus Marktlink McKinsey & Company Mercer Methis Consulting METRI Mitopics MLC Mobilee Möbius Monitor Deloitte Morgens MSR Consulting Group OrangeX Ordina Oxyma p2 PA Consulting Group Paul Postma Marketing Consultancy PBLQ PNO Consultants Projective Protiviti Proven Partners PwC Qhuba Quint Wellington Redwood Quintop Raad van Toekomst RevelX RGP Rijnconsult Roland Berger Scenter Schaekel & Partners Schuberg Philis SeederDeBoer Sia Partners Significant Simon-Kucher & Partners SiRM Solid Professionals SOLVE Consulting SparkOptimus Strategy Development Partners Strategy& Student Consultancy Group Summiteers Supply Value Symbol Synechron Business Consulting TEN HAVE Change Management The Next Organization Turner TWST Twynstra Gudde UMS Group UniPartners UPD Vanberkel Professionals Varrlyn Vasco Consult Vintura VODW Voogt Pijl & Partners Wielinq Willis Towers Watson WIN Yellowtail YGroup Young Advisory Group Zestgroup

Meer nieuws over