Hoe het Radicalisation Awareness Network bijdraagt aan deradicalisering in Europa

22 maart 2018 Consultancy.nl

Radicalisering is een van de grote problemen van deze tijd. Er is geen eenduidige oplossing, maar er zijn wel overal in Europa mensen die werken aan het voorkomen en bestrijden ervan. Het Radicalisation Awareness Network (RAN) brengt deze eerstelijnswerkers, met al hun kennis en ervaringen bij elkaar. Wie zijn zij, wat doen ze en hoe ervaren ze het RAN? Zeven professionals aan het woord. 

Om te beginnen Thorleif Link, politieagent in de Deense stad Aarhus. Op een dag in 2012 komt er een melding binnen bij het politie­bureau waar hij dan werkt: er is een zoon vermist. Een tiener die naar de lokale middel­bare school gaat en in een grote islamitische immigrantenwijk net buiten de stad woont. Link en zijn collega’s ontdekken dat de jongen naar Syrië is vertrokken. Anno 2017 is Link lid van het RAN. Maar als de jongen in Aarhus als vermist wordt opgegeven, is global terrorism nog compleet nieuw voor de Deense agent. 

Europees netwerk

Het Radicalisation Awareness Network (opgericht in 2012) brengt agent Link in contact met eerstelijnswerkers uit heel Europa. Politieagenten en gevangenisbewaar­ders, maar ook bijvoorbeeld leraren, jongeren­werkers, vertegenwoordigers van plaatselijke autoriteiten en hulpverleners. Allemaal werken ze met mensen die geradicaliseerd zijn of mensen die kwetsbaar zijn voor radicalisering. In RAN-werkgroepen delen ze hun kennis en praktijkervaring en denken ze mee over elkaars werk. In totaal zijn er negen werkgroepen, de een gericht op onderwijs, de ander op resocialisatie van terugkeerders, op gevange­nis en reclassering, of op het betrekken van jongeren, families en gemeenschappen bij het voorkomen van radicalisering. 

Naast plenaire bijeenkomsten, die door heel Europa worden georganiseerd, heeft elke werkgroep ook zijn eigen bijeenkomsten. RadarEurope, een tak van het Nederlandse RadarGroep, heeft in opdracht van de Europese Commissie het RAN Center of Excellence (CoE) opgezet. Het kennis­centrum zorgt niet alleen voor de uitwisseling tussen eerstelijnswerkers, maar doet ook beleidsaanbevelingen, ondersteunt lidstaten en voedt onderzoek naar radicalisering.

Radicalisation Awareness Network (RAN)

Het gebeurt op straat

Thorleif Link en de zes andere geïnterviewden zijn blij met het RAN. Radicalisering is een complex probleem waarvoor geen eenduidige oplossing is. Een probleem dat niet stopt bij de landsgrens, maar dat wel op lokaal niveau moet worden aangepakt. Het is een probleem waar vaak in de eigen regio nog maar weinig mensen in zijn gespecialiseerd. 

Tijdens de RAN-bijeenkomsten ontmoeten de eerstelijnswerkers gelijkgezinden en horen ze hoe er elders in Europa wordt omgegaan met radicalisering, terugkeerders en resocialisatie. Een agent ontmoet niet alleen andere agenten, ook docenten, sociaal werkers en communicatiedeskundigen. Volgens de Vlaamse Jessika Soors is dat laatste, het bij elkaar brengen en laten samenwerken van verschillende autoriteiten ontzettend belangrijk bij de voorkoming en bestrijding van radicalisering. De andere geïnterviewden zijn het allemaal met Soors eens. De multi-agency structuur, zo menen ze, zit in het DNA van het RAN. De verschillende autoriteiten moeten elkaar kennen en weten wie welke rol en taken heeft. 

Jessika Soors is diensthoofd deradicalisering in de Belgische stad Vilvoorde en vicevoor­zitter van een van de werkgroepen van het RAN. Toen zij in 2013 begon met haar werk als diensthoofd was Vilvoor­de met 28 op 42.000 inwoners een van de Belgische hofleveranciers van Syriëgangers. Sinds de zomer van 2014 is er niemand meer naar Syrië vertrokken, en dat terwijl er internationaal gezien nog een piek was in 2015. Wat overigens niet betekent dat er geen spanningen meer zijn in Vilvoorde zelf. 

In Vilvoorde richt het beleid zich op preventie en bewustwording, op het versterken van gezinsstructuren en het begeleiden van terug­keerders. “Ik ben ervan overtuigd,” zegt Soors, “dat we op lokaal niveau met praktijkmensen het verschil kunnen maken. Het gebeurt niet aan de beleidstafel, het gebeurt op straat.” 

Educatie

De Hongaarse Veszna Wessenauer zou je het buitenbeentje van de groep kunnen noemen. Jihadisten kom je in Hongarije niet zo snel tegen. Het probleem van Hongarije is volgens Wessenauer het rechtsextremisme van parami­litaire groeperingen: “Maar wijs je de overheid daarop, dan word je beschouwd als vijandige oppositie, dus daar zijn we maar mee gestopt.” Met haar collega’s van Political Capital, een onderzoeks- en consultancyinstituut, doet ze onder andere onderzoek naar politieke participatie van jongeren, onderwijs en mensenrechten.

Zeven professionals van RAN

Bevlogen vertelt ze over de verschillende educatieve projecten waaraan ze werkt. Met toolkits bieden ze docenten en andere geïnteresseerden bijvoorbeeld een manier om rationele gesprekken te voeren met rechtsextremisten. Want hoe reageer je als iemand zegt: “Alle Roma zijn misdadi­gers, het zit in hun bloed?” Via het RAN deelt Wessenauer niet alleen haar kennis over educatie en communicatie. Ze onderzoekt bijvoorbeeld ook met een Duitse ‘collega’ wat de overeenkomsten zijn tussen jihadisme en rechtsextremisme.

De jongste van de zeven geïnterviewden is Hannah Abdule. In haar dagelijks werk als communicatiemedewerker bij het Department for Education (Verenigd Koninkrijk) heeft ze niet direct te maken met (de)radicalisering. Toch is ze Young Ambassador voor het RAN. Voordat Abdule bij het Department for Education werkte, was ze docent religie. Het viel haar toen op dat veel leerlingen niet deelnamen aan gesprekken over taboeonderwerpen, zoals polarisatie en radicalisering. Of omdat ze niet wisten wat ze moesten vinden, of omdat ze er extreme opvattingen op nahielden. De meeste leerlingen, zo ontdekte Abdule, begrepen niet eens de totstandkoming van hun eigen mening. Om hen te leren hoe ze een goede, geïnformeerde afweging maken, gaf de docent religie lessen ‘speak your mind’.

Leerlingen discussieerden tijdens de lessen over topics als ‘geweld moet in sommige gevallen worden toegestaan’ en ‘in Engeland moet iedereen Engels spreken’. Het mooie hieraan, vindt Abdule, is dat kinderen het leuk vinden om iemand tegen te spreken. Niets bleef onbetwist. Abdule stopte met lesgeven om meer en beter te kunnen bijdragen aan het tegengaan van radicalisering. Als docent vond ze dat moeilijk. Ze moest een vertrou­wensband opbouwen met haar leerlingen als ze hun hulp wilde bij het deradicaliseren van een klasgenoot.

Maar dat vertrouwen zou verdwijnen zodra ze een leerling die radicaliseerde zou aangeven. “Ik kom uit een moslimgemeenschap, waar ik gezinnen heb zien lijden omdat hun kinderen zijn geradicaliseerd”, vertelt Abdule. “Wat ik ook zie, is hoe sterk het rechtsextremisme de media, het Witte Huis en de straat beïnvloedt.” Er zijn straten waar ze als moslima liever niet loopt: “It’s scary to feel scared of where you live.” Overheden, denkt Abdule, zouden meer onderzoek moeten doen naar rechtsextremisme. Ze moeten volgens de jonge Engelse een balans vinden voor het oplossen van radicalisering, zonder zich specifiek te richten op bepaalde groepen. “Ik vind het fantastisch wat het RAN doet”, zegt Abdule. “Het geeft jonge mensen zoals ik een stem en investeert hierin. Ik hoor met welke problemen andere landen worstelen en hoe we in het Verenigd Koninkrijk hiervan kunnen leren. Het RAN is een eenheidsfront dat de inspanningen van Europese landen verenigt.”

Het Aarhusmodel

Vraag je de zeven geïnterviewden hoe zij omgaan met radicalisering, terugkeerders en resocialisatie, dan komt een aantal woorden telkens terug: preventie, een alternatief bieden, mensen het gevoel geven erbij te horen, familiebanden versterken, educatie, begeleiding en vertrouwen. Het zijn termen die meer neigen naar een zachte dan naar een harde aanpak van het probleem.

Deradicalisering aanpak

In 2012, het jaar van de zoon die uit Aarhus verdween, reageerden de meeste Europese landen nog hard op het probleem. Paspoor­ten werden afgepakt, moskeeën gesloten en keerde een jihadist terug, dan moest die geen warm welkom verwachten. Het Deense Aarhus verkoos een zachtere aanpak. Naast repressie investeerde de Deense politie ook al vroeg in resocialisatie: burgers van Denemarken die naar Syrië waren vertrokken, zeker moeders en kinderen, kregen hulp aangeboden bij het zoeken naar een woning, het terugkeren naar school en het vinden van werk. De aanpak van de Deense politie werd bekend als het ‘Aarhusmodel’. Reageer je hard op jonge, geradicaliseerde moslims, dan zullen ze alleen maar bozer en gevaarlijker worden, zo zeiden Link en zijn collega’s. Hen helpen is de enige manier om ze in het oog te houden en de vrede in de stad te bewaren.

Habiba ontmoette Thorleif

Een van de andere geïnterviewden, Habiba Ali uit Finland, reageert enthousiast als ze hoort dat Thorleif Link is geïnterviewd voor dit verhaal. Ali ontmoette de Deense agent voor het eerst op een plenaire RAN-bijeenkomst en dacht: van die agent moeten we er meer hebben. Ze bewondert zijn open en respectvolle houding naar mensen die anders zijn dan hij. Zo won hij als agent bij­voorbeeld het vertrouwen van de Somalische gemeenschap in Aarhus, dat was nog geen en­kele agent gelukt. Ook in Denemarken is Links aanpak zacht te noemen, maar voor hem, zo zegt hij ook zelf, werkt het. 

Als voorbeeld noemt Link het verhaal van Jamal. Een jongeman die, net als de jongen met wie dit verhaal begon, naar Syrië wilde reizen. Link voorkwam dat hij daadwerkelijk vertrok. Jamal woonde in een huis met andere geradicaliseerde moslims en bereidde zich voor op zijn vertrek. Toen hij bijna klaar was om te gaan, kreeg hij een telefoontje van Link. Jamal vervloekte de agent en wilde ophangen, maar Link deed iets wat Jamal niet had verwacht: hij verontschuldigde zich en bood hulp aan. Een politieman die zijn verantwoordelijkheid neemt, het trok Jamal over de streep, hij ging in op Links aanbod om te komen praten. Jamal kreeg een mentor, leerde zijn stad opnieuw kennen en na twee jaar zei hij: “Ik ben een Deen.”

Dit artikel is opgesteld door journalist Nina Blanken en is afkomstig uit RadarMagazine, het relatiemagazine van adviesbureau RadarGroep.

Gerelateerd: Omar Ramadan, hoofd van RAN-secretariaat, terug van Witte Huis.

Nieuws

Meer nieuws over