Necker van Naem analyse gemeentelijk armoedebeleid

08 februari 2011 Consultancy.nl

Armoedebeleid blijft gespaard van (grote) bezuinigingen. Het beleidsveld is met een gemiddeld bezuinigingspercentage van 4% ‘het meest ontzien bij bezuinigingen', aldus de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Dat gemeenten veel waarde hechten aan de bestrijding van armoede wil echter nog niet zeggen dat een gemeente er altijd even goed in slaagt om de doelen van armoedebeleid te realiseren. Juist nu armoedebeleid in tijden van crisis wellicht een grotere doelgroep moet bedienen, staan wij stil bij de vraag hoe het beleid efficiënter en effectiever uitgevoerd kan worden. Om deze vraag te beantwoorden analyseerde Necker van Naem 12 recente rekenkameronderzoeken naar armoedebeleid. Er blijken drie veelvoorkomende knelpunten te bestaan bij de uitvoering van beleid.

Twee doelen

De doelen van armoedebeleid richten zich over het algemeen op twee hoofddoelen:
1.Financiële ondersteuning
2.Voorkomen van sociale isolatie

Uit de analyse van rekenkameronderzoeken komen drie knelpunten naar voren die de uitvoering van maatregelen en de daadwerkelijke realisatie van deze twee beleidsdoelstellingen in de weg staan.

Knelpunt 1: geen zicht op de doelgroep

Vaak hebben gemeenten de doelgroep voor armoedebeleid niet helder in beeld. Over het algemeen hanteren gemeenten een minimuminkomen als grens die varieert van 105-120% van de bijstandnorm. Inwoners die in de bijstand zitten - en daarom al cliënt zijn bij de Sociale Dienst - bereikt de gemeente goed. Zij worden actief gewezen op de bestaande minimaregelingen. Maar dat geldt niet voor het overige deel van de doelgroep zoals ouderen, chronisch zieken of alleenstaande moeders. Ook de ‘stille armen' blijven buiten beeld. Dat zijn inwoners die weliswaar een inkomen hebben boven het bijstandsniveau maar desondanks te weinig besteedbaar inkomen overhouden (vanwege hoge hypotheeklasten of andere financiële verplichtingen). Deze groep klopt zelf ook niet bij de gemeente aan voor financiële ondersteuning. Ze zijn zich meestal niet bewust van het bestaan van allerlei regelingen of hebben er formeel geen recht op. De meeste gemeenten ondernemen relatief weinig actie om deze mensen in beeld te krijgen of te ondersteunen. De communicatie vanuit de gemeente naar deze ondoorzichtige doelgroep is vooralsnog onvoldoende om deze te bereiken.

Knelpunt 2: vraag en aanbod lopen uiteen

Gemeenten hebben onvoldoende inzicht in wat de juiste ‘match' is tussen vraag en aanbod van de voorzieningen die onderdeel uitmaken van hun eigen armoedebeleid. Uit de rekenkameronderzoeken blijkt dat gemeenten de mate waarin de uitvoering van maatregelen leidt tot de gehanteerde doelstelling vaak niet monitoren. Kennis over de uitwerking van maatregelen is veelvuldig aanwezig bij hulpverlenende instanties. Op dit moment blijkt uit de analyse dat samenwerking met ketenpartners voornamelijk op het niveau van uitvoering plaatsvindt. Door deze samenwerking op bestuurlijk niveau meer invulling te geven, kunnen ketenpartners een bijdrage leveren aan het versterken van de match tussen vraag en aanbod.

Knelpunt 3: onvoldoende gericht op maatschappelijke participatie

Maatregelen richten zich voornamelijk op financiële inkomensondersteuning en niet op maatschappelijke participatie. Voorbeelden van maatregelen voor financiële ondersteuning zijn legio: bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag, schuldhulpverlening, kwijtschelding gemeentelijke belastingen of een collectieve aanvullende verzekering. Door het inkomen te verhogen of uitgaven te verlagen trachten gemeenten de draagkracht van minima te verhogen. Met betrekking tot maatschappelijke participatie is de doelstelling minder helder. Onduidelijk is hierdoor wanneer het versterken van maatschappelijke participatie, en daarmee het voorkomen van sociale isolatie, geslaagd is.

Recente ontwikkeling

Bovenstaande knelpunten blijken uit de analyse van rekenkamerrapporten. Daarnaast speelt een nieuwe ontwikkeling waarover rekenkamerrapporten (nog) niet rapporteren: doelstellingen van de Wet op Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en armoedebeleid kunnen door elkaar gaan lopen. Beiden richten zich de maatschappelijke participatie van burgers die om de één of andere reden ondersteund moeten worden. Als oplossing kiezen gemeenten er bijvoorbeeld voor om de financiële ondersteuning via het armoedebeleid vorm te geven en het voorkomen van sociale isolatie via de Wmo vorm te geven (en dus helemaal weg te halen uit het armoedebeleid). Het gevaar bestaat dat hierdoor zaken veranderen voor de doelgroep zonder dat de doelgroep hier voldoende van op de hoogte is. De uitdaging is het beleid zo transparant mogelijk te houden en je doelgroep helder te definiëren en te herkennen zodat je de juiste maatregelen kunt aanreiken.

Zes Aanbevelingen

Op basis van de uitkomsten van de 12 onderzoeken doet Necker van Naem  zes aanbevelingen voor verbetering van de uitvoering van het armoedebeleid:

  • Stel zowel met betrekking tot financiële ondersteuning maar ook met betrekking tot maatschappelijke participatie heldere doelstellingen op.
  • Definieer de doelgroep(en) helder en breng deze vervolgens zo goed mogelijk in beeld.
  • Wijs de doelgroep(en) actief op het bestaan van de beleidsmaatregelen via alle plekken waar deze mensen zouden kunnen komen en dus niet alleen via de sociale dienst maar ook via tweedehands winkels of de voedselbank.
  • Ontwikkel in samenwerking met ketenpartners op bestuurlijk niveau maatregelen en communicatievormen die bij de doelgroep passen en bijdragen aan de doelstellingen. Het veld weet met welke problematiek de doelgroep te maken heeft en waar ze bij gebaat zouden zijn op de korte en op de lange termijn.
  • Monitor tussentijds de match tussen maatregelen en de resultaten daarvan: Zijn dit de maatregelen die een bijdrage leveren aan de opgestelde doelstellingen?
  • Draag bij verwevenheid met de Wmo zorg voor transparant beleid

Nieuws

Meer nieuws over