GITP & KPMG: Afbreukrisico wethouders is groot

08 februari 2010 GITP

Afbreukrisico wethouders is te groot - onderzoek van adviesbureaus KPMG en GITP wijst 'onprofessionele collegevorming' aan als hoofdoorzaak

Veel wethouders haken voortijdig af. Om het afbreukrisico te verkleinen moet de collegevorming na de raadsverkiezingen professioneler worden aangepakt. Ervaren wethouders van buiten aantrekken kan helpen, maar biedt nu nog onvoldoende soelaas. Dat concluderen adviesbureaus KPMG en GITP op basis van onderzoek onder dertig gemeenten.

Van de ruim 1500 wethouders die Nederland telt, hebben er na de verkiezingen van 2002 al bijna 500 het veld geruimd. ‘Als er niets verandert, dreigt dat de komende raadsperiode verder op te lopen’, zegt directievoorzitter Hans van der Molen van GITP. ‘Wethouders moeten aan steeds hogere eisen voldoen omdat gemeenten complexer worden, meer taken moeten uitvoeren en er forse bezuinigingen op komst zijn.’

Volgens Ids Algera van KPMG Advisory staan wethouders al 'vol in de wind’ door het dualisme. Dat is in 2002 ingevoerd om een scheiding aan te brengen tussen het gemeentebestuur en de raad. ‘Bestuurskwaliteiten zijn nog belangrijker geworden voor wethouders.’ Ook kunnen er sindsdien wethouders van buiten de gemeente worden aangetrokken. ‘Dat wordt positief beoordeeld in ons onderzoek, zegt Algera. 'Externe wethouders kunnen voor een kwaliteitsimpuls zorgen. Maar omdat zij nog een relatie moeten opbouwen met hun ‘eigen’ fractie, kan dat juist politieke spanningen geven.’

De kosten van het vroegtijdige vertrek van wethouders zijn volgens de onderzoekers hoog: het lokale bestuur verzwakt en maatschappelijke problemen blijven liggen. ‘Ook persoonlijk is het vaak een drama’, weet Van der Molen. ‘Veel wethouders hebben na vertrek moeite om weer aan de slag te komen.’

Op basis van gesprekken met burgemeesters, gemeentesecretarissen en griffiers hebben de adviesbureaus gezocht naar factoren die van bestuurscolleges een succes maken. Bij het benoemen van wethouders speelt nu de macht van het getal (verkiezingsuitslag) de boventoon. De nadruk moet meer worden gelegd op 'kwaliteit’, zowel bij de collegevorming als bij het aantrekken van wethouders.

‘Na de verkiezingen wordt direct naar de poppetjes gekeken. Het is beter om eerst vast te stellen wat je wilt bereiken met de partijen die samen het college vormen’, zegt Van der Molen. 'Net als met een regeerakkoord in de Haagse politiek.' In de ideale aanpak volgt daarna een inhoudelijke invulling van portefeuilles, gevolgd door een profielschets voor de wethouders. 'Pas als laatste ga je op zoek naar geschikte kandidaten.'

Uit het onderzoek blijkt dat een profielschets voor wethouders bijna altijd ontbreekt. Vaak staat vóór de verkiezingen al vast wie er wethouder wordt. De vorming van de colleges moet volgens Algera veel professioneler dan nu. 'Bij de gemeenten uit ons onderzoek leeft dat besef breed. Er zijn parallellen met het samenstellen van een raad van bestuur van een onderneming.'

Volgens de onderzoekers kan de burgemeester het voortouw nemen om de collegevorming gestructureerder te laten verlopen. 'Hij heeft daar geen formele positie in’, erkent Van der Molen. ‘Maar hij kan zijn invloed gebruiken om de gemeenteraad tot professionele werkafspraken aan te zetten.’

Voor wettelijke regels om een professionele collegevorming af te dwingen is volgens de onderzoekers geen steun. Daarvoor zijn de lokale verschillen te groot. Belangrijk is volgens hen dat het wethouderschap weer meer maatschappelijke waardering krijgt. 'Daar hoort een passende beloning bij. Maar het is niet het juiste moment om daar over te beginnen.

Nieuws