BMC: Tijd voor minder vakjargon in Jeugdzorg

14 januari 2013 Consultancy.nl

Een hartenkreet op internet: “Kan iemand in normale mensentaal simpel uitleggen wat pddnos is? Gisteren na veel onderzoeken te horen gekregen dat ons zoontje van 4 dit heeft. Als ik op internet op” ervaring-sites” kijk wordt ik daar niet rustiger van! Wordt het erger? Kan het minder worden? Hoe leg ik mensen uit wat er met hem aan de hand is? Jullie moeten niet denken dat we aan ons lot worden overgelaten hoor! We krijgen straks hulp van alle kanten…Na al het papierwerk dan, want zo werkt dat helaas.” 

Ouders en kinderen die gebruik maken van ondersteuning mogen steeds vaker hun eigen dossier inzien. Zo maken we de ondersteuning een stuk toegankelijker en hopen we een betere samenwerking tussen de gebruikers en aanbieders tot stand te brengen en gerichter aan de het vraagstuk van ouders en kinderen  te kunnen werken.

En toch. Hoewel de dossiers voor ouders en jeugdigen dus toegankelijker zijn of worden gemaakt, wordt daar nog (te) weinig gebruik van gemaakt. De drempel daarvoor blijkt nog te hoog. Niet zelden als gevolg van het gebruik van onduidelijk vakjargon. Daardoor kunnen zij schrikken van wat zij lezen. Bijvoorbeeld, omdat er dingen instaan die zij helemaal niet willen weten. Vaker ook, omdat er dingen instaan die zij niet begrijpen. 

Maar ook hulpverleners onderling kunnen elkaar ernstig bekritiseren, omdat er teveel vakjargon wordt gebruikt. Daardoor is voor hen volstrekt onduidelijk wat er nu precies wordt bedoeld. Vraagsturing, participatie, evidence based, modules en protocollen vliegen ons om de oren. Het is stilaan een bos aan het worden, waarin de bomen nog amper zichtbaar zijn. 

Wie in dit kluwen zijn weg wil vinden doet er goed aan een aantal oefeningen in soberheid uit te voeren. Termen als cliëntparticipatie en vraaggestuurde hulpverlening lijken dan wel nieuwe uitvindingen, in wezen zijn ze zo oud als de straat. Een straat die voor wat betreft de jeugdhulpverlening over het hele bestek van de twintigste eeuw werd aangelegd. Bovendien hebben wij last van een kennelijk onbedwingbare behoefte om ons te onderscheiden met elke keer weer andere benamingen voor dezelfde functies.

Zo signaleer ik voor de het op elkaar afgestemd laten samenwerken van verschillende ondersteuners of organisaties een wervelwind aan benamingen voor feitelijk gelijke functies: casemanagers, zorgcoördinatoren, gezinscoaches en meer. Het effect? Onderzoek naar welke naam hulpverleners geven aan de manier waarop zij hulpverlening coördineren! Het moet toch niet gekker worden. 

Om misverstanden te voorkomen: ik ben zelf niet veel beter. Ik bezondig mij dus met grote regelmaat aan het gebruik van vakjargon. Bij een onlangs door mij geschreven ‘kompas’ (= richtinggevende notitie) voor de transitie (= overdracht van de taken van de zorg voor jeugd en gezin aan gemeenten) bijvoorbeeld. Daarbij is een redelijk omvangrijke begrippenlijst gevoegd. Nodig, om de niet professionele lezer uit te leggen wat er precies bedoeld wordt met of verstaan wordt onder in het kompas gebruikte begrippen. Een prima en tegelijkertijd overbodige service. Want, terugblikkend op het resultaat, kan en moet ik mij afvragen waarom ik die begrippen niet direct in het kompas zelf hertaald heb. 

Onduidelijk vakjargon? Vanaf nu niet meer.
Het vakjargon, dat kennen wij. De terminologie van onze sector, die kennen wij. Maar de mensen voor wie wij werken, aan wie wij onze diensten verlenen, begrijpen zij wat wij zeggen of bedoelen?

Mijn pleidooi mag duidelijk zijn: vanaf nu geen onduidelijk vakjargon meer. Niet in dossiers van ouders en kinderen, en ook niet meer in beleidsnota’s en aanverwante artikelen. Geen Jip en Janneke taal, maar korte en duidelijke zinnen in goed Nederlands die voor iedereen te begrijpen zijn. Het gesprek tussen bijvoorbeeld ouders en jeugdigen en hun ondersteuners – en daarmee het begrip voor het hoe en waarom – kan daarmee sterk verbeterd worden. 

De Praatwijzer
Alweer enige tijd terug nam ik in dat verband kennis van een interessant initiatief van het Expertisecentrum William Schrikker. Zij ontwikkelden De Praatwijzer. Dit is een map met middelen die kunnen worden ingezet bij het gesprek tussen gezinsvoogden en gezinnen waarbij sprake is van een verstandelijke beperking (en/of een taalachterstand). De Praatwijzer is  geïntroduceerd als middel bij gesprekken over onderwerpen als opvoeding, veiligheid en de rol van ouders nadat een kind uit huis geplaatst is. In gewoon Nederlands: hoe vertel  je als hulpverlener ‘in gewone mensen-taal’ wat je waarom doet. 

Samenvattend
Hoe bereiken wij iedereen? Als bedrijf, overheid of instelling willen wij duidelijk zijn voor iedere klant en voor elke burger. Dat vraagt eenvoudig Nederlands: in brochures, op websites, in brieven en op formulieren. Het zo ‘hertalen’ van ons werk maakt het niet alleen veel toegankelijker. Het kan ook dubbel werk en dus dubbele kosten voorkomen. En voor wat betreft De Praatwijzer: een inspirerend initiatief en tegelijkertijd: laten we ervoor zorgen dat wij niet voor elke ‘doelgroep’ een eigen praatwijzer moeten ontwikkelen. Het gebruik van ‘gewone’ huis-tuin en keukentaal maakt ook die slag overbodig. 

Hertaling van ons vakjargon kan leiden tot een feest van herkenning. Zeker als wij bij het hertalen ook de inkleuring van het oerwoud aan professioneel klinkende en bedoelde, maar niet zelden onbegrijpelijke – of met een meervoudige betekenis – begrippen meenemen. 

Als wij zo ons werk inzichtelijk maken – laten zien wat wij waarom, wanneer en met wie doen – zal dit ongetwijfeld ook bijdragen aan meer waardering en begrip. En daarmee ook aan het voor de continuïteit van ons werk zo noodzakelijke draagvlak (=mensen die nut en noodzaak van ons werk her- en erkennen en het juist daarom willen of steunen). 

Een artikel van Peter Paul Doodkorte, partner bij adviesbureau BMC.

Nieuws

Meer nieuws over