Investeren in flexwerker goed voor werkgever, werknemer en maatschappij

14 augustus 2017 Consultancy.nl

Investeren in flexibele arbeidskrachten door bijvoorbeeld het aanbieden van vitaliteits- of opleidingsprogramma’s wordt door veel bedrijven vooral gezien als een kostenpost. Een dergelijke investering levert echter, zeker op de lange termijn, wel degelijk rendement op voor zowel de werkgever, werknemers en de maatschappij, blijkt uit een recent uitgebracht rapport van KPMG.

De flexwerker lijkt niet meer weg te denken uit de huidige economie. Uit het onderzoek van KPMG, getiteld ‘De True Value van de flexibele arbeidsmarkt’, valt op te maken dat waar de arbeidspopulatie in 2015 nog voor 25% uit flexwerkers bestond, dat dit aandeel tegen 2020 naar verwachting tot 30% zal gaan toenemen.

Voor bedrijven biedt gebruikmaken van een flexibele schil de mogelijkheid om bijvoorbeeld specifieke expertise in te huren of om piekperiodes op te vangen of ziekteverzuim te compenseren, schrijven de onderzoekers. Voor de meeste professionals is een flexibel arbeidscontract echter eerder een noodzaak. Waar flexwerk voor sommige groepen jongeren en hoogopgeleiden weliswaar een eigen, bewuste keuze is, lijken veel van hen toch een vast arbeidscontract na te streven. Zo blijkt uit het onderzoek dat in 2015 ‘slechts’ een vijfde van het aantal flexwerkers tevreden was met zijn arbeidspositie en dat 65-87% liever een vaste baan verkiest.
flexibele arbeidsmarktEen belangrijke conclusie die naar voren komt, is dat werkgevers hun flexibele werknemers minder vaak leertrajecten of andere relevante trainingen aanbieden dan hun vaste werknemers. Als een gevolg hiervan nemen flexwerkers ook minder vaak deel aan dit soort trajecten. Waar tussen 2011-2013 bijna zes op de tien werknemers met een vast contract tenminste één cursus of training volgden, lag dit aandeel onder uitzendkrachten en zelfstandigen op 37% en onder werknemers met een tijdelijk contract zonder uitzicht op een vast contract op slechts 28% (Didier Fourage (2014), Werken en Leren in Nederland).

Die conclusie komt het imago van flexwerk niet ten goede. In de afgelopen jaren is flexwerk regelmatig bestempeld als het soort werk waarvan vooral de werkgever profiteert. “En dat is jammer”, stelt KPMG. “Wanneer er voldoende in flexwerkers wordt geïnvesteerd, plukt iedereen de vruchten”, aldus de auteurs.

True value

In het onderzoek heeft het accountants- en advieskantoor verder berekend wat de kwantitatieve waarde kan zijn van een dergelijke investering, een waarde beter bekend als de ‘true value’. Dat deed het aan de hand van een casus bij verzekeraar Achmea, waar ongeveer 15% van het personeel op flexibele basis werkt.

Bij het bepalen van het rendement van de investering werd onderscheid gemaakt tussen het maatschappelijke rendement en het rendement voor Achmea. Onder het maatschappelijke rendement vallen bijvoorbeeld zaken als: het reduceren van verzuim, het optimaliseren van de inzetbaarheid en het verlagen van zorgkosten, het stimuleren van fitheid en gezondheid en het zorgdragen voor volledige inclusie (in dit geval ‘geen onderscheid te maken in de toegankelijkheid van programma's’). Onder het eigen rendement (voor Achmea) vallen: het verbeteren van prestaties van werknemers, het optimaliseren van de inzetbaarheid en het terugdringen van zorgkosten (Een deel daarvan komt namelijk bij Achmea – als verzekeraar – terecht), het verminderen van inwerkkosten (door minder capaciteitsverlies) en het verhogen van de motivatie en binding onder het personeel.
Maatschappelijk rendement en rendement voor AchmeaUit de casus blijkt dat door binnen Achmea dusdanig te investeren dat 15% meer werknemers toegang krijgt tot allerlei vitaliteits- of opleidingsprogramma’s, dit zowel maatschappelijk als voor Achmea rendement oplevert. KPMG becijfert dat iedere geïnvesteerde euro zorgt voor een rendement van €1,80 en daarnaast een maatschappelijk rendement van €2,00 oplevert. Het investeren in flexwerkers lijkt daarmee te lonen. Achmea stelt: “Deze werknemers (flexwerkers, red.) zijn van essentieel belang voor onder andere het callcenter, en dus het klantcontact. De cursussen of programma’s die worden aangeboden variëren van bedrijfsfysiotherapie tot de bedrijfspsycholoog, maatschappelijk werk en groepstrainingen voor het tegengaan van stress.

Door meer toegang te bieden tot de vitaliteitsprogramma’s heeft Achmea productiviteitswinst geboekt, schrijven de auteurs. “Uitzendkrachten die sneller geholpen worden met klachten hebben minder werkonderbrekingen en presteren beter”, zegt Anna van Poucke, partner bij KPMG, sectorleider Health en nauw betrokken bij het onderzoek. ”Door een vermindering van het capaciteitsverlies hoeft de verzekeraar ook minder nieuwe uitzendkrachten in te werken.” Kijkend naar het maatschappelijk rendement, is de kans op verzuim onder de werknemers gedaald, met als gevolg lagere kosten voor het UWV of het uitzendbureau. Van Poucke licht toe: “Meer vitaliteit zorgt voor een betere gezondheid en fitheid. De werknemer is minder vaak ziek waardoor zijn inzetbaarheid wordt vergroot. Hierdoor gaan de zorgconsumptie en de zorgkosten omlaag.”

Nieuw denkkader nodig

Investeren in flexibele arbeidskrachten vergt een nieuwe manier van denken vanuit de werkgever, meent de KPMG-partner. Het werken met flexibele werknemers wordt door de werkgever nu vooral gezien als een mogelijkheid de kosten te drukken. Op de korte termijn is dit misschien reëel, maar op de lange termijn is het gebrek aan investering in dit aandeel van het personeel een aantasting van de kennis en kunde van het arbeidspotentieel van het bedrijf. “De discussie moet daarom niet gaan over ‘flex’ of vast, maar over het voorkomen van kwetsbaarheid en het oplossen van de negatieve gevolgen voor deze groep werknemers”, stellen de onderzoekers.

Van Poucke besluit: “Een goed opgeleide, vitale flexwerker levert een betere individuele en teamprestatie. Dat is goed voor het bedrijf. Na een opleiding ziet een werknemer zijn kansen op de arbeidsmarkt bovendien groeien. Daar heeft de Nederlandse samenleving baat bij. Want dankzij dit soort investeringen krijgen we een beter opgeleide beroepsbevolking. En ook voor onze kenniseconomie is dit een slechte zaak. Daarom moet het bedrijfsleven zijn verantwoordelijkheid nemen door voldoende te investeren in de opleiding en vitaliteit van vaste én flexibele medewerkers.”

Dit artikel is opgesteld in samenwerking met Majorie van Leijen, journalist bij onder meer het AD.

Nieuws

Meer nieuws over