Rapport brengt belangrijkste belemmeringen bij Nationale Politie in kaart

18 juli 2017 Consultancy.nl

Als onderdeel van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Effectiviteit Politie, heeft Andersson Elffers Felix (AEF) de belemmeringen die de Nationale Politie ervaart bij de uitvoering van haar taken in kaart gebracht. In het onderzoek worden grote interne en externe ‘knellende kaders’ geïdentificeerd die een negatieve impact hebben op de effectiviteit en efficiëntie van de taakuitvoering. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek heeft minister Blok van Veiligheid en Justitie een plan van aanpak opgesteld om de belangrijkste problemen op te lossen.

In mei 2014 besloot de ministerraad een interdepartementaal beleidsonderzoek in te stellen naar het functioneren van de Nationale Politie (NP), die in 2013 werd opgericht om de politie slagvaardiger, doeltreffender en doelmatiger te laten opereren. Voor het onderzoek werd een IBO-werkgroep samengesteld die de opdracht kreeg te onderzoeken in welke mate dit doel in de praktijk wordt behaald. Het op het onderzoek gebaseerde rapport dat de werkgroep zal afleveren, moet aanbevelingen bevatten die de politie kunnen helpen bij het verbeteren van hun doelmatigheid en doeltreffendheid.

Inventarisatieonderzoek AEF

Om bij te dragen aan het komen tot concrete aanbevelingen, heeft het Ministerie van Financiën organisatieadviesbureau Andersson Elffers Felix gevraagd aanvullend onderzoek uit te voeren waarin de ‘knellende kaders’ binnen de organisatie van de NP worden geïnventariseerd. In de uitvoering van het inventarisatieonderzoek hanteerde AEF verscheidene onderzoeksmethoden. Eerst stelden de adviseurs van het bureau op basis van een documentenstudie een globale inventarisatie op van de knellende kaders om zo een beter beeld te krijgen van de effecten en de omvang ervan. Vervolgens werden er op basis van die eerste resultaten achtereenvolgens interviews en expertsessies gehouden. In deze expertsessies werden conceptbevindingen getoetst en verdiept.

AEF brengt belangrijkste belemmeringen bij Nationale Politie in kaart

Het inventarisatieonderzoek is in korte tijd uitgevoerd. In drie weken tijd zijn twee expertsessies gehouden en 31 interviews afgenomen, voornamelijk met vertegenwoordigers van de NP. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een overzicht van de meest omvangrijke knellende kaders binnen de Nationale Politie. 

Administratieve regeldruk

Een van de belangrijkste bevindingen van AEF is dat het handhavings- en opsporingswerk in toenemende mate administratief van aard is geworden. Hoewel administratieve taken ook bij het politiewerk horen, ervaren veel politieagenten de omvang, complexiteit en gedetailleerdheid van de administratieve verplichtingen als een onnodige lastendruk. Met name de Wet Politiegegevens (WPG) en de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (BOB) zorgen volgens de onderzoekers voor veel onvrede onder agenten.

Momenteel werken het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Nationale Politie al samen om deze regeldruk te verminderen. Om te voorkomen dat eventuele toekomstige nieuwe regelgeving voor nieuwe overbodige regeldruk zorgt, adviseert AEF om de politie te betrekken bij de totstandkoming van deze regelgeving. Hierin kan de Nationale Politie nuttig zijn omdat zij hier als één partij externe invloed op kan uitoefenen.

Het onderzoek toont echter ook aan dat de grootste regeldruk niet zozeer een direct gevolg is van de wetgeving, maar van de vertaling hiervan naar concrete procedures en interne protocollen. De uitdaging in het verminderen van de regeldruk ligt in het vinden van een gezonde balans tussen enerzijds zorgvuldigheid en risicominimalisatie en anderzijds snelheid en effectiviteit. Alles tot op de millimeter willen regelen is volgens AEF vaak contraproductief en het advies is daarom om protocollen en procedures zo eenvoudig mogelijk te houden en meer aandacht te schenken aan de implementatie ervan.

Ook zou een betere kennis van de wetten en regels kunnen helpen de werklast te verkleinen. Vaak zijn teamchefs en planners bijvoorbeeld onbekend met uitzonderingsmogelijkheden of passen zij de opgelegde regels veel te rigoureus toe. Volgens AEF kan dit probleem relatief eenvoudig worden verholpen door te zorgen voor betere voorlichting ten aanzien van (nieuwe) regelgeving.

Andersson Elffers Felix, Politie en Ministerie van Veiligheid en Justitie

Weinig overzicht

Een ander knelpunt is het beperkte zicht dat er binnen de politie is op alle te verrichten werkzaamheden. De hoeveelheid werk die binnen de taakomschrijving van de politie valt, is zo groot dat het volstrekt onmogelijk is al deze taken uit te voeren. Bovendien ontbreekt een keuzeproces waaruit duidelijk blijkt hoe er binnen deze grote hoeveelheid werk geprioriteerd kan worden. Het advies van AEF is dan ook om snel te beginnen aan de ontwikkeling van een dergelijk keuzeproces. 

De capaciteitsproblemen worden verergerd door de beperkte instroom van hoogopgeleiden en de moeilijkheid om hoogopgeleide politiewerknemers binnen de organisatie te houden. Het tekort aan passend personeel wat hierdoor ontstaat, wordt daarnaast ook groter door de veranderende eisen op het gebied van expertise en vakmanschap. Diverse programma’s om deze problemen tegen te gaan, hebben tot nu toe niet het gewenste resultaat opgeleverd.

AEF identificeert in het onderzoek nog diverse andere factoren die de beschikbaarheid van personeel beperken. Een belangrijke oorzaak voor deze beperking is volgens AEF het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en de manier waarop deze wordt geïnterpreteerd. Het bureau adviseert onder meer de leeftijd waarop werknemers in aanmerking komen om minder uren per week te werken te verhogen en een herziening van de eis dat het werkrooster 28 dagen van tevoren bekend moet zijn.

Gebrekkige sturing

De organisatieadviseurs stellen daarnaast dat het probleem ook voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door gebrekkige ‘sterktesturing’ vanuit de politieleiding en adviseert te onderzoeken welke aspecten van de sturing effectief zijn en welke belemmerend. Ook de sturing van de samenhang tussen huisvesting, mobiliteit en ICT ziet AEF als een belangrijk knelpunt. Hier ligt volgens de onderzoekers een gebrek aan een integraal afwegingskader aan ten grondslag, wat ervoor zorgt dat de NP soms met tekorten worstelt, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal beschikbare voertuigen.

Naast dat de sterktesturing volgens AEF tekortschiet, wordt ook opgemerkt dat de ‘prestatiesturing’ voor problemen zorgt. Zo is deze volgens de onderzoekers te uniform en te veel gericht op output en wordt daardoor als star ervaren door agenten. Er is weinig ruimte voor lokale initiatieven of uitzonderingen en de output waarop wordt getoetst dekt slechts een beperkt deel van de vele politietaken. Hierdoor blijven de effecten van het politiewerk voor de samenleving gedeeltelijk onderbelicht.

Ook wordt er volgens AEF in de starre prestatiesturing te weinig rekening gehouden met de onzekerheden die onderdeel uitmaken van het politiewerk. Om hier verandering in te brengen denken de onderzoekers dat het goed zou zijn als politiemedewerkers beter worden getraind op het gebied van situationeel leren en competentieontwikkeling – twee aspecten waar de NP-medewerkers momenteel in tekortschieten. AEF stelt dat er een verantwoordelijkheid ligt bij het gezag en de landelijke politiek “om in te zetten op proactief nadenken over (toekomstige) veiligheidsvraagstukken en minder op korte termijn reguleren en indekken”.

Stef Blok en Erik Akerboom

Ten slotte stelt AEF in dit verband nog enkele problemen vast met betrekking tot het takenpakket van teamchefs bij de NP. Hun werk wordt lastig gemaakt doordat ze een disbalans ervaren in hun bevoegdheden. Bovendien zorgt de grote omvang van het takenpakket er volgens het bureau voor dat er een aanzienlijk risico is dat de aandacht van de teamchef versnipperd raakt, waardoor er minder efficiënt gewerkt wordt. 

Wegnemen knelpunten

AEF’s knelpunteninventarisatie is door Stef Blok, de minister van Veiligheid en Justitie, gedeeld met de Tweede Kamer. In zijn brief aan de Kamer schrijft Blok: “De extern knellende kaders zal ik zelf zoveel mogelijk wegnemen. De afgelopen periode heb ik daar al voortgang geboekt.” Hierbij doelt hij op de verminderde lastendruk en de ruimte die is gecreëerd ten behoeve van de inzet van extra voertuigen, om zo te voorzien in de toenemende vervoersbehoefte.

Dit betekent echter niet dat er niet meer stappen zullen volgen. Blok zegt de knellende kaders de komende tijd verder te zullen bestrijden, waarbij hij het heeft over potentiële maatregelen als de harmonisatie van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, de vereenvoudiging van de regeling voor het vorderen van gegevens en een flexibilisering van de politie door middel van aanpassingen in de arbeidstijdenregelgeving. 

Het wegnemen van de intern knellende kaders zal vooral een taak zijn voor de korpschefs. Hierbij worden zij geholpen door een harmonisatie van de werkprocessen die nodig zijn voor de vernieuwing op het vlak van ondersteuning via informatie voorziening en de toenemende mate waarin mobiel wordt gewerkt. Door deze harmonisatie kan straks bijvoorbeeld de meest relevante informatie uitgebreid digitaal worden geraadpleegd.

En laatste voorbeeld dat door AEF wordt aangehaald als wijze waarop de intern knellende kaders kunnen worden aangepakt, is het aanstellen van een Algemene Ledenvergadering (ALV) binnen de politie. Deze autoriteit, waar momenteel aan gewerkt wordt, moet toezien op de resultaten van het programma ‘Minder regels’, waarmee eerder de lastendruk van de politie met een equivalent van 5.000 fte is teruggebracht. Ook ziet de ALV toe op een zo efficiënt mogelijke vernieuwing van de werkprocessen van de politie. Centraal daarbij staan de thema’s ‘professionele ruimte voor medewerkers’ en ‘sturing op basis van vertrouwen’.

Nieuws

Meer nieuws over