Houding en gedrag cruciaal voor implementatie van Omgevingswet

01 november 2016 Consultancy.nl

In 2019 treedt naar verwachting de Omgevingswet in. De verandering in de manier van werken zal een enorme impact hebben op gemeenten en spelers in de keten. Niet alleen vanuit een organisatorisch en bedrijfsmatig perspectief, maar vooral op het gebied van leiderschap en cultuur. Aandacht voor houding en gedrag zijn in dat kader onmisbaar.

Met de invoering van de Omgevingswet wil de Rijksoverheid het omgevingsrecht eenvoudiger en inzichtelijker maken – Nederland krijgt straks één wet voor de hele leefomgeving. Ook wil men met de wet vraagstukken bij de oorsprong kunnen aanpakken, waarbij de Omgevingswet het mogelijk maakt om lokale vraagstukken ook echt lokaal op te lossen. Gemeenten vervullen hierin een spil in het web functie: zij krijgen meer keuzevrijheid om op lokaal niveau in te spelen op de behoeften van initiatiefnemers en belanghebbenden. 

Andere belangrijke doelstellingen van de Omgevingswet – die zoals het er nu uitziet in 2019 in werking treedt – zijn het versnellen van besluitvorming en het verhogen van het gebruiksgemak (procedures zijn korter en er zijn minder vergunningen nodig), het komen tot een samenhangende benadering tussen beleid en uitvoering (de Omgevingswet houdt bijvoorbeeld rekening met regionale verschillen, zoals stedelijke groei en bevolkingskrimp) en het verbeteren van de samenwerking tussen dorpen, steden en regio’s (lokale entiteiten krijgen meer bestuurlijke afwegingsruimte). Om deze doelen van de Omgevingswet te kunnen bereiken worden verschillende (nieuwe) instrumenten ingezet. De kerninstrumenten voor gemeenten zijn: omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en omgevingsvergunning en het projectbesluit.

De afgelopen maanden zijn gemeenten en andere betrokken partijen gestart hun organisatie voor te bereiden op de naderende wetgeving. Bekend is dat de Omgevingswet een enorme impact in het speelveld zal hebben – qua impact spreken sommigen zelfs van ‘de vierde decentralisatie’, na de grote drie decentralisaties in het sociale domein, die begin 2015 werden ingevoerd.

Houding en gedrag

Nog meer dan bij andere grote transities, wordt tijdens de implementatie van de Omgevingswet de rol van houding en gedrag cruciaal, stelt Erwin van de Pol, organisatieadviseur bij Rijnconsult, die zelf bij een aantal gemeenten betrokken is bij verkenningen en voorbereidingen. “In de nieuwe manier van werken is een wisseling van perspectief nodig, waarbij de burger veel meer centraal gaat staan”, licht hij toe. 

Diverse veranderingen maken van de Omgevingswet een complexe transitie. Zo wordt bijvoorbeeld de rol van de overheid een andere. Van de Pol: “De overheid is niet meer de almachtige bepaler of toetser van wat kan en mag gebeuren, maar veel meer regisseur.” Dit vergt van professionals dat ze de overgang maken van een besluitvormende rol naar een meer faciliterende rol. “Dat klinkt eenvoudig, maar mensen zijn gewend om decennia lang op een bepaalde manier te werken, waarbij onzekerheidsreductie centraal stond. Probeer die vastgeroeste controle patronen er maar eens uit te krijgen”, aldus Van de Pol. 

De behoefte aan een meer holistische benadering – door de overgang van bestemmingsplannen naar één omgevingsplan – vraagt van gemeenten om een integrale kijk op zaken aan te nemen. “Omdat een initiatief vaak een belangenafweging over meerdere sectoren en belangen vraagt, is een integrale aanpak vereist. Hierdoor zullen gemeenten nog meer integraal moeten kijken naar alle ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente en daarbuiten”, legt Van de Pol uit. Dit betekent dat gemeenten verder moeten kijken dan hun eigen grenzen, en dat samenwerking met andere partijen uit de keten meer op de voorgrond zal moeten staan. “Op het gebied van netwerkorganiseren moeten veel gemeenten nog een extra slag maken in de relatie tot hun regionale partners, zoals provincie, waterschappen, buurgemeenten en andere organisaties. De samenwerking zal veel intensiever zijn en met name in de beginfase meer onvoorspelbare juridische consequenties kunnen hebben”, aldus de Rijnconsult adviseur. 

Hoewel het werken aan het bovenstaande traditioneel leidt tot een scala aan plannen van aanpak, structuurwijzigingen en procesbeschrijvingen, is er in het geval van de Omgevingswet meer nodig. “De houding en het gedrag van alle betrokkenen binnen het werkveld van de fysieke leefomgeving moeten gestoeld zijn op de doelen van de Omgevingswet. Belangrijk hierbij is de basisbenadering van een ingediend initiatief. In het licht van de Omgevingswet verandert deze van: nee, tenzij naar: ja, mits”, vult Van de Pol aan. “Dus geen bureaucratische reflexen meer, maar meebewegen. Ga er maar aan staan.” 

Erwin van de Pol - Rijnconsult

Van de Pol becijfert dat het succes van de Omgevingswet voor meer dan 80% zal afhangen van zachte factoren als houding en gedrag, waarbij de rest afhangt van de kwaliteit van de instrumenten. “Als het werkveld van de fysieke leefomgeving daadwerkelijk wil bereiken wat de Omgevingswet beoogt, dan is een verandering in gedrag, houding en werkwijzen vereist. Van iedereen, niet alleen van gemeenten, maar ook van de ketenpartners”, geeft hij aan. 

De Rijnconsult adviseur staat hierin niet alleen. Door de minister van Infrastructuur & Milieu (IenM) werd afgelopen jaar, volgend op vragen in de Tweede Kamer, al aangegeven dat de houding en het gedrag bepalend zullen zijn voor de Omgevingswet, en ook de Werkplaats Omgevingswet – een denktank die zich bezighoudt met de introductie en uitvoering van de wet – heeft soortgelijke signalen afgegeven.

“De ervaring leert dat het tijd kost om deze veranderingen door te voeren. Veel betrokkenen zijn van nature geneigd om vast te houden aan de vertrouwde werkwijzen”, zegt Van de Pol. Hij benadrukt dan ook dat op dit moment initiatieven die zich richten op cultuurveranderingen belangrijker zijn dan structuur- en organisatieveranderingen. Rijnconsult heeft hiervoor een speciale aanpak ontwikkeld, waarover Van de Pol zegt: “Wij geloven dat een verandering kan slagen door leren in de praktijk op een creatieve manier te ondersteunen en daarnaast een mix van leren van elkaar en training aan te bieden, afijn, de bekende 70-20-10 mix.” Hij besluit: “Onze aanpak is stapsgewijs, creatief, praktijkgericht en met aandacht voor de (nieuwe) vaardigheden die de omgevingswet gaat vragen.”

Nieuws

Meer nieuws over