Docenten met masteropleiding voegen waarde toe, maar blijven schaars

27 juni 2016 Consultancy.nl

Leraren met een masteropleiding op zak hebben een duidelijke meerwaarde vinden zowel collega’s als scholen. De overheid heeft daarom enige tijd geleden een grootschalig programma opgetuigd met als doel het aantal docenten dat start met een masteropleiding te verhogen. Vooralsnog wordt er echter nog maar weinig vooruitgang geboekt, blijkt uit onderzoek van adviesbureaus Ecorys en MOOZ. Volgens de onderzoekers kan het wegnemen van diverse obstakels de interesse in en doorstroom naar masteropleidingen verbeteren.

In het Sectorakkoord 2014-2017 is afgesproken om het aantal masteropgeleide leraren in het voortgezet onderwijs te vergroten om de onderwijskwaliteit verder te verhogen. De snelheid van de beoogde verandering ligt echter laag, reden voor de VO-raad en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) om de situatie onder de loep te nemen.

Adviesorganisaties Ecorys en MOOZ werden onlangs in de arm genomen om de vraag en het aanbod van masteropleidingen voor leraren in het voortgezet onderwijs (VO) nader te bestuderen. De onderzoekers keken naar drie gebieden: de behoefte aan masteropleidingsaanbod voor leraren, het opleidingsaanbod en de randvoorwaarden die nodig zijn zodat leraren daadwerkelijk gebruik gaan maken van het opleidingsaanbod. De onderzoekers voerden literatuuronderzoek door, hielden interviews en expertmeetings, zetten enquêtes uit en organiseerde veldconsultaties. Het onderzoeksrapport, getiteld ‘Aansluiting vraag-aanbod masteropleidingen VO’, werd recent aan de Tweede Kamer aangeboden*.

Aantal masteropgeleide leraren in het voortgezet onderwijs moet omhoog

In het 100+ pagina’s tellende rapport hebben de auteurs eerst een stap terug gedaan en de toegevoegde waarde van masteropgeleide leraren in kaart gebracht. Ze concluderen dat alle stakeholders een duidelijke meerwaarde zien in docenten die in het bezit zijn van een mastertitel. Van alle docenten geeft 73% aan dat masteropgeleide docenten een meerwaarde hebben voor het team, en 75% ziet de meerwaarde voor de school. Ook schoolleiders zijn het hiermee eens – 29% geeft aan meer behoefte te hebben aan WO-masteropgeleide docenten en 19% wil meer HBO-masteropgeleiden. Slechts 13% geeft aan géén behoefte te hebben aan meer masteropgeleide docenten. Op enkele aspecten zien zij bovendien duidelijke verschillen tussen HBO- en WO-masters. Sterkere analytische vaardigheden (WO: 54%, HBO: 6% ) en een bijdrage leveren door middel van het doen van onderzoek (WO: 51%, HBO: 7%) zijn volgens hen typerend voor een WO-masteropgeleide docent. Ook zijn ze beter in staat tot het ontwikkelen van toetsingsstrategieën (WO: 39%, HBO: 7%).

Vooruitkijkend wordt verwacht dat het belang van leraren met een universitair masterdiploma de komende jaren gaat toenemen, vooral omdat hun kracht ligt in vaardigheden zoals op het gebied van analytics. Daarnaast voorzien de respondenten nieuwe taken of functies op bestuursniveau, vooral voor de lerarengroep met een WO-master. Het kan daarbij gaan om managementtaken, maar ook om het invoeren van bestuursbrede innovaties, het (verder) ontwikkelen van een onderwijskundige visie, het professionaliseren van de collega’s et cetera. 

Behoefte aan masteropleidingsaanbod

Uit het onderzoek blijkt dat van de docenten zonder masterdiploma ongeveer tussen de 12% en 19% mogelijk geïnteresseerd zou zijn in een masteropleiding. In de praktijk blijkt het aantal dat daadwerkelijk overgaat tot het volgen van deze opleiding veel lager ligt. “Bijna alle geïnteresseerde docenten stellen echter aanvullende eisen aan de opleiding en aan de geboden ondersteuning door hun school. Het aandeel leraren dat hun interesse zal omzetten in het daadwerkelijk volgen van een masteropleiding ligt dan ook waarschijnlijk eerder rond 5%, concluderen de onderzoekers. En hier ligt juist de uitdaging – momenteel is ook 5% van de docenten in het voortgezet onderwijs ingeschreven voor een masteropleiding. Kortom, er wordt geen verbetering van de situatie verwacht.

Om het aantal docenten dat een masteropleiding volgt te kunnen verhogen, zouden diverse verbeterpunten volgens de onderzoekers in ogenschouw genomen moeten worden. Zo wijzen ze allereerst op het feit dat er een geografische concentratie van HBO-masters bestaat, die leidt tot een regionaal tekort: “Het aanbod van eerstegraadsopleidingen is relatief dun gezaaid, met name wat betreft de ‘kleine’ vakken in het vo zoals aardrijkskunde, bedrijfseconomie, maatschappijleer en scheikunde. Dit leidt tot vraaguitval bij docenten. Met name docenten in Zeeland, Limburg, Overijssel en Friesland vinden de reisafstand naar een masteropleiding te lang”, concluderen de onderzoekers. Ze pleiten daarom te zorgen voor een dekkend regionaal aanbod en om lessen buiten hoofdvestigingen te laten verzorgen, om zo grote reisafstanden te voorkomen.

Docenten met masteropleiding voegen waarde toe, maar blijven schaars

Ook zien de onderzoekers, ten aanzien van de vorm waarin masteropleidingen worden gegoten, een kloof tussen vraag en aanbod. Geïnteresseerde docenten willen opleidingen bijvoorbeeld modulair kunnen volgen en dat deze grotendeels tijdens schooluren plaatsvinden. Maar ook schoolleiders willen flexibelere opleidingstrajecten voor de docenten. De onderzoekers pleiten dan ook voor een modulaire opzet van de opleidingen en voor een langere looptijd. Ook pleiten ze voor vraagarticulatie vanuit de scholen, waarmee vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd kan worden. Volgens de onderzoekers vindt er nu te weinig overleg plaats tussen scholen zelf en is er een gebrek aan input van uit de leraren. “Scholen zouden zich op dit punt sterker moeten verenigen zodat ze richting de aanbieders een vuist kunnen maken”, aldus de onderzoekers.

Verder is ondersteuning vanuit scholen slechts tot op bepaalde hoogte stimulerend voor deelname aan masteropleidingen, blijkt uit het rapport. “Docenten stellen eisen aan ondersteuning door hun school. Daarbij gaat het vooral om het beschikbaar stellen van tijd, door middel van structurele vervanging en het vrij roosteren van docenten die een masteropleiding volgen. De huidige ondersteuning die wordt geboden door scholen lijkt vooral te bestaan uit informeren en stimuleren en minder vaak uit de concrete ondersteuning die leraren echt helpen om een masteropleiding succesvol te kunnen volgen”, aldus de onderzoekers.

Het aanbod in masteropleidingen is bovendien niet transparant genoeg, luidt een van de conclusies van het rapport. Volgens de onderzoekers vindt een substantieel deel van de leraren dat de informatie over masteropleidingen tekortschiet om een goede keuze te kunnen maken. De onderzoekers doen aanbevelingen voor het makkelijker vindbaar maken van masteropleidingen en pleiten voor mogelijk maken van een filter op regionaal aanbod. Verder moet volgens de onderzoekers gezorgd worden voor een “subsidiewijzer”, waarmee schoolleiders en docenten gemakkelijk kunnen zien welke financiële regelingen er zijn, en op hoeveel financiering en verloftijd zij mogen rekenen. Daarbij moeten niet niet alleen de Lerarenbeurs, maar ook de cao-bepalingen rondom scholing betrokken worden. Verder pleiten de onderzoekers voor meer samenwerking met private partijen, zoals Springtest.

Tot slot wijzen de onderzoekers op het belang van meer samenwerking in de keten. “Het verbeteren van de aansluiting tussen de vraag naar en het aanbod van masteropleidingen voor leraren in het voortgezet onderwijs is geen geïsoleerde opgave voor een bepaalde partij. Hieraan dient op meerdere niveaus gewerkt te worden, in samenspraak met de relevante partijen. Zowel leraren als schoolleiders, bestuurders en aanbieders op individueel maar ook op regionaal niveau, hebben ieder een eigen verantwoordelijkheid. Op landelijk niveau hebben het ministerie van OCW, de VO-raad, VH, VSNU en de Onderwijscoöperatie ook hun eigen verantwoordelijkheden, die juist in gezamenlijkheid tot oplossingen moeten leiden”, besluiten de onderzoekers.

* Samen met een ander onderzoek – naar ‘Vraag en aanbod nascholing van leerkrachten primair onderwijs – is het rapport, dat in maart werd uitgebracht, op 21 juni 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden. 

Nieuws

Meer nieuws over