Leefwereldbenadering als grondhouding voor zorgprofessionals

05 juli 2016 Consultancy.nl

De veranderende zorgwereld maakt het voor zorginstellingen steeds belangrijker om een leefwereldbenadering als grondhouding te ontwikkelen. Hierbij is het voor zorgprofessionals belangrijk om te leren om vanuit de eigen regie van de burger gezamenlijk vast te stellen wat nodig is voor goede en passende zorg en welzijn. Daarvoor zijn echter specifieke competenties nodig, waardoor de sectoren onderwijs en zorg een grote veranderopgave te wachten staan, zo blijkt uit een recent onderzoeksrapport. 

Het zorgdomein is sterk aan het veranderen. De kwaliteit van de zorg moet omhoog en tegelijkertijd moeten kosten omlaag gebracht worden, door onder meer het gebruik van digitalisering en het opschroeven van de zorgparticipatie graad onder burgers. Om dit te realiseren is een fundamentele omslag nodig in de zorg en in het sociaal domein. Centraal in de transitie naar deze omslag is de zogeheten ‘leefwereldbenadering’, een benadering waarin professionals aansluiten bij de leefwereld van hun cliënten (‘Leefwereld’), de echte ontmoeting opzoeken (‘Ontmoeting’) en toewerken naar oplossingen die zo veel mogelijk gebruikmaken van het eigen netwerk (‘Samen Voorzien’). 

Om beter te begrijpen hoe de leefwereldbenadering in de praktijk presteert, heeft zorgpartij Regionale Kruisvereniging Noord-Brabant BMC Advies gevraagd om leefwereldbenadering van de zorginstelling onder de loep te nemen. Drie vragen stonden centraal: Wat is de leefwereldbenadering? Wat zijn factoren die kunnen bijdragen aan de leefwereldbenadering? Wat is de meerwaarde van de leefwereldbenadering? Om tot hun antwoord te komen namen de onderzoekers enquêtes af onder 43 wijkzusters van 4 zorginstellingen, waarin onder meer informatie werd verzameld over 518 cliëntendossiers. Daarnaast werd een enquête afgenomen onder 29 samenwerkingspartners en 16 cliënten.

Leefwereldbenadering als grondhouding voor zorgprofessionals

De onderzoekers concluderen dat de leefwereldbenadering niet zozeer een aanpak is die organisaties kunnen volgen, maar dat het in plaats daarvan vooral draait om grondhouding. Deze grondhouding kenmerkt zich allereerst door ‘alledaagsheid’. Wijkzusters die hun voldoening (meer) halen uit het dagelijkse contact met cliënten scoren hoger op de leefwereldbenadering dan wijkzusters die hun voldoening (meer) halen uit het oplossen van vraagstukken die ze tegenkomen. Daarnaast correleert de leefwereldbenadering met het (vaker) langsgaan bij de zorgvrager. Verder is ‘betrokkenheid’ een belangrijk kenmerk. De leefwereldbenadering correleert met het lezen van de wijkkrant en het meedoen aan activiteiten in de wijk. De leefwereldbenadering blijkt geen verband te houden met afkomst (‘sociale match met de cliënt/wijk’) of herkomst van een wijkzuster (‘geografische match met de cliënt/wijk’).

Uit het onderzoek komt verder naar voren dat de leefwereldbenadering een belangrijke aanvulling is op het wijkverpleegkundig handelen van wijkzusters. Hierin kunnen echter nog stappen gezet worden volgens de onderzoekers – uit de data kan niet geconcludeerd worden dat de leefwereldbenadering leidt tot meer inzet (productiviteit) van de wijkzuster. Willen bestuurders deze ‘impact’ verhogen dan dienen ze volgens de auteurs drie adviezen te volgen:

Ten eerste, wijkzusters kunnen (extra) investeren in hun wijken door op de hoogte te blijven van wat er speelt en mee te doen aan activiteiten. Bij nieuwe cliënten kunnen zij (in eerste instantie) meer de nadruk leggen op het dagelijkse contact dan op het (meteen) oplossen van problemen. Bestuurders en managers doen er verder goed aan om wijkzusters zo mogelijk een grote aanstellingsomvang te geven en meer ruimte te geven in de invulling van zorgtaken. “Het blijkt dat organisaties er goed aan doen om de aanstellingsomvang van wijkzusters zo groot mogelijk te maken en de hoeveelheid tijd die zij kunnen besteden aan niet-toewijsbare zorgtaken”, legt Egbert van der Meer, partner bij BMC Advies en auteur van het rapport, uit.

Ten derde, derde partijen kunnen hun steentje bijdragen. Opleiders kunnen de uitdaging aangaan om alledaagsheid en betrokkenheid te stimuleren zonder dat dit ten koste gaat van inhoudelijke wijkverpleegkundige expertise en competenties. En financiers en beleidsmakers kunnen de leefwereldbenadering verankeren in hun stuurinstrumentarium, luidt het advies.

Onderwijs aan zorgprofessionals

Het rapport werd eerder dit jaar door penningmeester Frans Fakkers van de Kruisvereniging en Egbert van der Meer uitgereikt aan het Zorginstituut Nederland. Conny Veldhuizen, adviseur Innovatie Zorgberoepen & Opleidingen van het zorginstituut, over het onderzoek: “De veranderde visie op zorg, waarbij niet de ziekte maar het functioneren van de burger centraal staat en waarbij zorg zo dicht mogelijk rondom de burger wordt georganiseerd, heeft gevolgen voor de zorgprofessional. Het centraal stellen van de eigen regie en veerkracht van de zorgvrager vraagt onder andere van de wijkverpleegkundige een andere benadering. De uitkomst van het onderzoeksrapport ‘De Kracht van het Alledaagse’ geeft de waarde van het daadwerkelijk in contact zijn met de zorgvrager als belangrijke voorwaarde voor goede zorg aan.”

Ze vervolgt: “Het is dan ook belangrijk dat toekomstige zorgprofessionals in staat zijn om dit contact te maken en vanuit de eigen regie van de burger gezamenlijk vast te stellen wat nodig is om het functioneren zo snel en optimaal mogelijk te herstellen. Daarvoor hebben toekomstig professionals specifieke competenties nodig. Daarover zullen wij onder andere in ons tweede advies over toekomstig leren en opleiden in zorg en welzijn 2030, de minister adviseren.”

Nieuws

Meer nieuws over