CE Delft en SEO nemen impact van SDE+ regeling onder de loep

07 juni 2016 Consultancy.nl

Het ministerie van Economische Zaken (EZ) heeft CE Delft en SEO Economisch Onderzoek de opdracht gegeven om de SDE+ regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie) te evalueren. De evaluatie volgt op een eerdere doorlichting, een jaar geleden, door de Algemene Rekenkamer. Het nieuwe onderzoek moet inzichten gaan bieden over de impact die de SDE+ regeling sinds de invoering in 2011 heeft gehad, en moet handvatten opleveren om de regeling richting de toekomst te kunnen verbeteren.

Hernieuwbare energie staat anno 2016 hoog op de agenda van overheden en organisaties overal ter wereld. Nederland loopt Europees gezien achter en het Kabinet heeft daarom afspraken gemaakt om de internationale positie van ons land richting de toekomst te verbeteren. Zo moet volgens de plannen het energieverbruik in Nederland in 2020 voor 14% afkomstig zijn uit ‘hernieuwbare bronnen’ zoals zonne-energie, windkracht, aardwarmte, waterkracht en biomassa. Hierover heeft ons land ook in de Europese Unie afspraken gemaakt met andere EU lidstaten, die zijn vastgelegd in het zogeheten Energieakkoord in 2013. Voor 2023 heeft het kabinet de lat voor zichzelf nog hoger gelegd, tegen die tijd moet 16% van onze energie uit hernieuwbare bronnen.

Het belangrijkste instrument dat Nederland inzet om de 14%-doelstelling voor 2020 en de 16%-doelstelling voor 2023 te halen, is de regeling ‘Stimulering Duurzame Energieproductie’ (SDE+). Met deze regeling worden bedrijven gestimuleerd om energie uit hernieuwbare bronnen in Nederland te produceren. De subsidieregeling werd in 2011 ingesteld.

Gerealiseerde en verwachte uitgaven van de subsidieregelingen

De bovenstaande analyse van de Algemene Rekenkamer toonde naast de (vanaf 2014 verwachte) uitgaven voor SDE+ regelingen ook de gerealiseerde en verwachte uitgaven voor de twee vergelijkbare subsidieregelingen die – in de periode 2003-2010 – aan de SDE+ voorafgingen. Dit waren de regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP), die van kracht was tussen 2003 en 2006, en de SDE regeling (zonder ‘plus’), die in 2008 werd ingesteld en tot en met 2010 van kracht was. Uit de analyse blijkt dat voor de MEP-regeling, het Ministerie van Economische Zaken (EZ) in totaal €10,5 miljard aan verplichtingen is aangegaan. Voor de SDE ging het om €10 miljard en voor de SDE+ regeling werd in de periode 2011-2013 zo’n €6,2 miljard aan verplichtingen aangegaan. Voor de periode 2014-2023 is de verwachting dat het ministerie van EZ voor nog eens circa €52,6 miljard aan verplichtingen zal aangaan.

Bedrijven krijgen alleen SDE+-subsidie als ze daadwerkelijk energie uit hernieuwbare bronnen produceren. Als een projectaanvraag is goedgekeurd en de subsidie is toegekend, vindt er dus nog geen uitbetaling plaats. Er wordt op dat moment alleen een verplichting aangegaan en vanaf dat moment moet het project gereed worden gemaakt voor daadwerkelijke productie van energie. De subsidie voor goedgekeurde aanvragen wordt in de meeste gevallen uitgekeerd gedurende een looptijd van twaalf of vijftien jaar. In 2011, het eerste jaar dat de SDE+ was opengesteld, waren er nog nauwelijks uitgaven.

Evaluatie
De belangrijkste vraag die ten aanzien van SDE+ leeft is: werkt de SDE+ regeling wel? Volgens het onderzoek van de Algemene Rekenkamer uit 2015 (‘Stimulering duurzame energieproductie SDE+, Haalbaarheid en betaalbaarheid van beleidsdoelen’) is SDE+ over de hele linie belangrijk voor duurzame energieopwekking. “We zien dat de SDE+ het meeste van alle regelingen bijdraagt aan de te verwachten energieproductie uit hernieuwbare bronnen in 2020 en 2023, respectievelijk 44% en 51%. Van de voor de 2020 beoogde 14% energie uit hernieuwbare bronnen zou dus 44%, iets meer dan zes procentpunten, uit SDE+-projecten moeten komen”, aldus de onderzoekers.

Welke regeling draagt het meeste bij aan energieproductie uit hernieuwbare bronnen?

De SDE+ regeling zal in de praktijk en onder de streep waarschijnlijk minder energie uit hernieuwbare bronnen opleveren dan de verwachting die het kabinet had bij het afsluiten van het Energieakkoord in 2013. Dat heeft volgens de onderzoekers onder meer te maken met de behoudende manier waarop de minister van EZ de subsidieregeling inzet. Daarnaast vallen SDE+-projecten in de praktijk menigmaal uit of lopen ze vertraging op. Ook wordt er gemiddeld per project minder energie opgewekt dan op papier mogelijk is. Dit speelt onder andere bij de opwekking van energie uit biomassa, stellen de onderzoekers.

De Rekenkamer concludeerde destijds: “Om te komen tot een meer realistische planning, waarmee de doelstellingen voor 2020 en 2023 dichterbij komen, zou de minister van EZ zijn beleid rond de SDE+ meer moeten afstemmen op de praktijk. Op dit moment is de minister bij de uitvoering van de SDE+ regeling vooral gespitst op het voorkomen van te hoge kosten. Dat is op zichzelf een goede zaak; het risico van financiële overschrijdingen wordt daarmee verkleind. Maar tegelijkertijd is hiermee de realisatie van de doelen voor 2020 en 2023 onder druk komen te staan”, aldus de onderzoekers.

Tegenvallend effect SDE+ op energieproductie

Inmiddels, een jaar na het onderzoek van de Algemene Rekenkamer, heeft het Ministerie van EZ besloten om een vervolgevaluatie naar de SDE+ regeling te laten uitvoeren. Hiertoe heeft het ministerie CE Delft en SEO Economisch Onderzoek in de arm genomen. De onderzoekers hebben de taak gekregen om doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling over de periode 2011-2015 onder de loep te nemen. Het onderzoek zal inzichten moeten gaan opleveren over de impact van de SDE+ regeling sinds de invoering in 2011. Daarnaast moet het handvatten bieden om de regeling richting de toekomst te kunnen verbeteren.

Nieuws

Meer nieuws over