Utrechtse aanpak van zorg en Wmo werkt relatief goed

05 april 2016 Consultancy.nl

Begin 2015 werden met de komst van de Jeugdwet en Wmo 2015 de overheidstaken rondom jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning gedecentraliseerd naar gemeenteniveau. Gemeente Utrecht doet het relatief goed als het gaat om de uitvoering van deze nieuwe taken, blijkt uit extern onderzoek.

Per 1 januari 2015 heeft gemeente Utrecht net als alle andere gemeenten in ons land de decentralisaties rondom de Zorg voor Jeugd (Jeugdwet) en Meedoen naar Vermogen (Wmo 2015) ingevoerd. In lijn met de nieuwe visie van de Rijksoverheid, is de uitvoering van deze taken overgeheveld van het Rijk naar de gemeenten. Hierbij staan begrippen centraal als eigen regie, zelfredzaamheid en samenredzaamheid (de rol van het netwerk om mensen heen). Ook het organiseren van zorg dichtbij de burger ofwel toegankelijke zorg op wijkniveau is een kernpijler binnen de aanpak.

Om inzicht te krijgen in de prestaties van Gemeente Utrecht op dit gebied, heeft het college van B&W Labyrinth Onderzoek & Advies en het Verwey-Jonker Instituut de opdracht gegeven om een cliëntervaringsonderzoek (CEO) uit te voeren. Het betreft ervaringen van cliënten bij de Buurtteams Sociaal en Jeugd & Gezin (de algemene voorzieningen in het kader van de Wmo en Jeugdwet), het Wmo loket en zorgaanbieders in de aanvullende zorg (Wmo) en Jeugdhulp (Jeugdwet). Voor het onderzoek werd gebruik gemaakt van een mixed mode onderzoeksaanpak met een kwantitatieve vragenlijst, individuele diepte-interviews (24 in totaal) en focusgroepen met cliënten.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de meerderheid van de cliënten over het algemeen tevreden is over zowel het contact, de toegankelijkheid, de kwaliteit als de effecten van de hulp of ondersteuning. Op alle stellingen antwoordt een ruime meerderheid van zowel de Wmo- als de Jeugd-cliënten positief, variërend van 58% tot aan 86%. Door het hele onderzoek heen zijn voor zowel Wmo als Jeugd gemiddeld één op de tien cliënten ontevreden. Voor de kwaliteit van de hulp of ondersteuning geldt dat een groter deel van de Jeugd-cliënten positiever is dan van de Wmo-cliënten. Voor de effecten van de hulp of ondersteuning is dit omgedraaid: hier zijn juist meer Wmo-cliënten positief.

In reactie op de resultaten zei het college van B&W onlangs in een persbericht: “De Utrechtse aanpak van de zorg en ondersteuning werkt goed. Cliënten zijn veelal positief over de toegankelijkheid, de kwaliteit van zorg en de mate waarin zij zijn geholpen. Ook staan zorgaanbieders overwegend positief tegenover de Utrechtse aanpak.”

Als op de resultaten wordt ingezoomd, worden echter verschillen tussen segmenten en groepen cliënten zichtbaar. Zo hebben cliënten met een meer positieve ervaring vaker een simpele hulpvraag, en vice versa, degene met een negatieve ervaring hebben vaker een complexer probleem. Dit komt zowel bij de gesproken Wmo- als de Jeugd-cliënten naar voren. Ook zou Utrecht baat hebben bij nauwere samenwerking tussen de buurtteams en de aanvullende (gespecialiseerde) zorg.

De onderzoekers voegen daarnaast toe dat het getoonde sentiment van respondenten sterk afhankelijk is van het moment waarop men gevraagd wordt de hulp of ondersteuning te beoordelen. “Op verschillende momenten is er contact met verschillende instanties en professionals. Cliënten kunnen met de ene instantie of professional een positieve ervaring hebben en met een andere instantie of professional een negatieve”, schrijven de auteurs.

Nieuws

Meer nieuws over