Nederlands bachelor-mastersysteem moet op de schop

12 april 2016 Consultancy.nl

Na vijftien jaar is het tijd om eindelijk een harde knip te zetten tussen bachelor en master, waarbij werkervaring als ingangseis voor masterstudies zou moeten dienen, stelt BCG consultant Ruben Brekelmans.

Er woedt al maanden een heftige discussie over op universiteiten: moeten we een gemiddelde van een 7 als minimumeis stellen voor onze masteropleidingen? Voorstanders van deze maatregel willen hiermee het niveau van de masters verhogen. Ook vrezen zij dat andere universiteiten deze eis eerder zullen invoeren, waardoor zij straks zelf met de zesjesstudenten blijven zitten. Tegenstanders vinden dat studenten niet massaal mogen worden buitengesloten. Zij willen geen afbreuk doen aan de toegankelijkheid van ons hoger onderwijs.

Zelf volgde ik masters aan de Universiteit van Tilburg, de London School of Economics en Harvard. Van binnenuit zag ik masters die lichte en zware ingangseisen stellen. Mijn conclusie is dat we het masteronderwijs in Nederland pas echt een impuls geven als universiteiten niet een gemiddeld cijfer maar werkervaring als ingangseis invoeren. Hiermee zouden we naar een systeem gaan zoals in de VS. Studenten volgen hier eerst een bachelor, gaan vervolgens een paar jaar werken, en doen dan pas een master. Een echte ‘harde knip’. Dit systeem heeft vele voordelen ten opzichte van het Nederlandse systeem, waarin studenten na de bachelor direct een master volgen.

Studenten
Wanneer studenten voor hun master al een paar jaar hebben gewerkt, brengen ze kennis en ervaring mee de collegezaal in. Dit verheft het niveau van het onderwijs. Op Nederlandse universiteiten is de professor nu de enige bron van kennis. Colleges zijn vooral eenrichtingsverkeer: de professor voert het woord, studenten stellen af en toe een theoretische vraag. Studenten leren tijdens de colleges en de groepsopdrachten nauwelijks iets van elkaars ervaringen. Ze hebben dezelfde bachelorvakken gevolgd, zitten bij dezelfde verenigingen en doen dezelfde bijbaantjes.

Op Harvard hadden al mijn medestudenten werkervaring, variërend van twee tot twintig jaar. Ik volgde daar onder andere het vak Innovatie in de Publieke Sector. Aan de hand van een casus bespraken we ieder college het succes of falen van een innovatie. Tijdens een casus over gezondheidszorghervormingen vertelde een Amerikaanse student die aan Obamacare had gewerkt waarom het in eerste instantie zo mis ging. In een casus over corruptiebestrijding legde een voormalig Nigeriaans oppositieleider uit hoe hij honderden miljoenen oliedollars had teruggekregen op de overheidsbegroting. Door de inbreng van mijn medestudenten kreeg ik unieke inzichten. De professor tilde de discussies naar een hoger niveau door persoonlijke ervaringen van studenten te koppelen aan academische theorieën. Zo leerde ik van twee kennisbronnen: de professor én mijn medestudenten.

Studenten begrijpen na een paar jaar werkervaring beter wat relevant is voor hen om te leren. Zelf dacht ik dat het nuttig zou zijn om tijdens mijn master in Nederland vooral economische theorieën te bestuderen, maar in de jaren daarna heb ik deze kennis nauwelijks toegepast. Tijdens mijn master op Harvard wist ik dat ik in mijn werk meer zou hebben aan vakken als leiderschap, overtuigingskracht en strategisch management. Zo kon ik effectievere studiekeuzes maken. Als studenten door werkervaring betere keuzes maken, wordt het masteronderwijs productiever en wordt er minder budget verspild.

Master
Na een paar jaar werken is het gemakkelijker om een master te financieren. Studenten hebben al kunnen sparen en hebben na de master meer zekerheid om snel weer een baan te vinden. Ze durven daardoor tijdens hun master meer te experimenteren. Zo werkte op Harvard een groot deel van mijn medestudenten aan het opzetten van start-ups, die ze vaak uitbouwden na hun studie. De overige studenten probeerden ook doorlopend nieuwe dingen uit, uiteenlopend van academisch onderzoek tot vrijwilligerswerk. De kans om te ondernemen en experimenteren werd breed aangegrepen.

Werkervaring als ingangseis maakt het ook aantrekkelijker voor talentvolle buitenlandse studenten om naar Nederland te komen. Nu kunnen zij kiezen tussen medestudenten zonder werkervaring in Nederland en medestudenten met werkervaring in bijvoorbeeld het VK en de VS. Nu kiezen zij logischerwijs voor het laatste. Daardoor lopen wij veel internationaal talent mis.

Een hogere onderwijskwaliteit, effectievere studiekeuzes, meer ondernemerschap, en meer talent uit het buitenland: het ligt voor Nederlandse universiteiten binnen handbereik. Bovendien is het introduceren van werkervaring als ingangseis een onderwijshervorming die niets kost. Er hoeft geen euro extra naar universiteiten. De toegankelijkheid van het masteronderwijs komt evenmin in het geding. Al vindt niet iedereen na de bachelor direct een droombaan, iedere student doet na verloop van tijd wel relevante werkervaring op die hem kwalificeert voor een masteropleiding.

Als er geen fundamentele bezwaren zijn rondom de kosten of toegankelijkheid, waarom wordt de knip tussen bachelor en master dan niet harder gemaakt? Het huidige bachelormastersysteem bestaat al bijna vijftien jaar, maar geen politicus of universiteitsbestuurder houdt een warm pleidooi voor werkervaring als ingangseis. Welke obstakels moeten we overwinnen?

Een voorwaarde voor een hardere knip is dat werkgevers bachelorstudenten aannemen. Vanuit het oude doctorale systeem zijn Nederlandse werkgevers nog altijd gewend dat een universitaire studie minimaal vier jaar duurt. In dit denken is een omslag nodig. Multinationals als Shell en Unilever kunnen hierin het voortouw nemen. Als zij in het VK en de VS wel bachelorstudenten aannemen, waarom dan niet in Nederland? Ook andere organisaties die starters traineeships aanbieden, kunnen hiervoor makkelijk bachelorstudenten werven. De belangrijkste opleiding vindt dan immers nog plaats tijdens het traineeship. Daarnaast kan de overheid een speciale voortrekkersrol op zich nemen. Voor de meeste beleidsfuncties biedt een bacheloropleiding voldoende basis.

Voor sommige bachelors zullen universiteiten het curriculum enigszins moeten aanpassen. Een bachelor moet op zichzelf compleet genoeg worden om studenten te kwalificeren voor een vakgebied. Nu gaan veel studies er nog vanuit dat een student pas na een master echt een volwaardig natuurkundige, jurist of econoom is. Dit geldt vooral voor studies die opleiden tot een specifiek beroep, zoals Accounting of Fiscaal Recht. Per studie moet worden gekeken in hoeverre aanpassing noodzakelijk is. De bal ligt bij de universiteiten.

Dan is er nog sprake van een ‘first-mover probleem’. Als een universiteit per 1 september een nieuwe master introduceert met werkervaring als ingangseis, wie zou deze studie dan willen volgen? De huidige werkenden in Nederland hebben direct na hun bachelor al een master gedaan en het is onwaarschijnlijk dat werkenden zich in grote getalen aanmelden voor een extra master. Universiteiten moeten daarom in de eerste jaren accepteren dat het aantal aanmeldingen voor deze nieuwe masters beperkt zal zijn.

Prikkel
In deze overbruggingsperiode kunnen universiteiten zich meer richten op buitenlandse studenten. Daar zijn wel grote groepen werkenden met alleen een bachelortitel. Ook kan het Ministerie van OCW een stimulans bieden door de eerste jaren extra financiering te verlenen aan masters met werkervaring als ingangseis. Zo’n financiële prikkel vanuit de overheid helpt om universiteiten in beweging te krijgen.

Dit is het moment om actie te ondernemen. Studenten verwachten meer kwaliteit, nu zij door het leenstelsel meer zelf moeten investeren. De concurrentie met het buitenland wordt alsmaar intenser. In plaats van te bakkeleien over cijfergemiddelden moeten universiteiten het initiatief nemen voor werkervaring als ingangseis. Samen met werkgevers en overheid moeten zij de handen ineenslaan voor deze hervorming. We kunnen het ons niet permitteren om nog eens vijftien jaar niets te doen.

Nieuws

Meer nieuws over