Circulaire economie als alternatief voor ontmanteling olieplatformen

16 maart 2016 Consultancy.nl

De komende jaren moeten circa 250 boorplatformen verspreid over de Europese wateren ontmanteld worden, bij elkaar goed voor zo’n honderd Eiffeltorens aan staal. Oliebedrijven staan niet te springen om de kosten voor deze grootschalige transformatieprojecten – die tegen 2040 kunnen oplopen tot zo’n $60 miljard – op zich te nemen. Hierdoor dreigt een patstelling te ontstaan – het principe van de circulaire economie kan bij dit complexe vraagstuk mogelijk uitkomst bieden.

Tussen Groot-Britannië, Noorwegen, Denemarken en Nederland liggen vandaag de dag ruim 1.400 offshore installaties, waarvan inmiddels zo’n 30% stilligt. Vooral in de Noordzee, waar de afgelopen decennia langer dan elders offshore naar olie- en gas is geboord, ligt een groot gedeelte van deze platformen stil, meestal het gevolg van lage olieprijzen waardoor de installaties onvoldoende rendabel zijn. Wanneer olieplatformen stil komen te liggen, is volgens internationale regelgeving de ontmanteling van deze platformen (in vaktermen ‘decomissioning’) in veel gevallen een verplichting. De verantwoordelijkheid voor het ontmantelen van platformen ligt bij de olie- en gasmaatschappijen, die hiervoor miljarden euro’s dienen te investeren. Daar zitten zij – zeker gezien de ontwikkelingen binnen het huidige marktlandschap – niet op te wachten.

Volgens een recent rapport van Atlantic Marine and Offshore (AMO) uit Rotterdam, zijn er in de Noordzee inmiddels 245 platforms genomineerd om ontmanteld te worden. Ter vergelijking: sinds ruim vijftig jaar geleden de eerste boorplatforms in gebruik zijn genomen, zijn er 90 platforms uit de Noordzee verwijderd en gesloopt. Naast de hoge kosten die de ontmantelingen met zich meebrengen vormen deze grootschalige sloopprojecten een megaklus. De boorplatformen zijn goed voor meer dan één miljoen ton staal, omgerekend goed voor 100+ Eiffeltorens aan staal.

Volgens berekeningen van analisten kunnen de kosten voor het ontmantelen van de 250 boorplatformen tegen 2040 oplopen tot zo’n $60 miljard. De afgelopen jaren hebben de grootste oliebedrijven reserveringen gedaan om toekomstige decommissioning van platformen op te vangen, maar op basis van de jaarverslagen van de grootste spelers blijkt dat zij gezamenlijk voor wereldwijde decomissioning in totaal ‘slechts’ $144 miljard hebben gereserveerd. En dat is verre van voldoende voor alle wereldwijde ontmantelingen die in kaart zijn gebracht. Vanwege enerzijds de hoge kosten die met decommissioning gepaard gaan en anderzijds de maatschappelijke druk zien oliemaatschappijen zich voor een dilemma geplaatst. Oliemaatschappijen besteden miljardenuitgaven liever aan overige investeringsprojecten of bijvoorbeeld om hun aandeelhouders dividend uit te betalen. Bovendien maken veel oliebedrijven door de lagere olieprijzen en overige marktontwikkelingen* van de afgelopen jaren verlies, waardoor ze een voorkeur hebben om decommissioning voor zich uit te schuiven.

Strategische opties
In hun wens de ontmantelingen uit te stellen, hebben oliebedrijven diverse strategische opties. Allereerst kunnen ze hun platformen bijvoorbeeld gebruiken voor andere doeleinden, zoals het opslaan van aardgas of CO2 (CCS), of bijvoorbeeld als algenkwekerij. Een andere optie is het verlengen van de levensduur van de platformen, door ofwel de productie omlaag te schroeven, of simpelweg de verliezen te accepteren en te wachten op hogere olieprijzen. De risico’s voor dergelijke keuzes zijn echter hoog en de kans dat oliebedrijven failliet gaan loopt steeds meer op. Wanneer oliebedrijven er voor kiezen om de tijd te overbruggen, moeten ze zich er wel van bewust zijn dat hoe langer er gewacht wordt, hoe duurder de ontmanteling kan worden. Daarbij is het ook niet wenselijk om jarenlang onderhoud te betalen voor iets dat niet meer in gebruik is. Oliebedrijven moeten dus een goede balans vinden tussen uitstel of de keuze voor overige opties.

De opkomst van nieuwe technieken die ontmantelingen van platformen goedkoper maken is nog een factor die meespeelt. Een voorbeeld van een doorbraak in de markt op dit gebied is het mammoetschip Pioneering Spirit. Dat megaschip is in staat in één keer een platform op te tillen en veel goedkoper te vervoeren naar havens. De bouwkosten van dit moderne schip: naar verluidt meer dan $2,5 miljard.

Ongeacht welke keuze uiteindelijk gemaakt wordt, lijkt een ding zeker: oliebedrijven worstelen ten aanzien van dit complexe vraagstuk in toenemende mate met hun strategische planning. En doordat de volatiliteit van de olieprijs toeneemt en scenarioplanning steeds lastiger wordt, wordt het er niet makkelijker op. Een patstelling dreigt, waarschuwen analisten, met mogelijke grote gevolgen van dien, voor zowel economie als maatschappij.

Een concept dat uitkomst kan bieden is het principe van de circulaire economie, dat uitvoerig besproken werd tijdens een Ronde Tafel bijeenkomst georganiseerd door JBR in samenwerking met Eco-Effective Strategies en CRS Holland. Uitgangspunten binnen de circulaire economie zijn dat producten en ketens zo worden ontworpen dat alle materialen tot in het oneindige kunnen worden hergebruikt, dat alle energie duurzaam wordt opgewekt, en dat menselijke activiteiten een positieve bijdrage leveren aan natuur, welvaart, en welzijn. “De toepassing van circular economy kan leiden tot nieuwe inzichten rondom het decommissioning vraagstuk in de Noordzee”, vertelt Mirthe Lantman, adviseur bij JBR en expert binnen de offshore olie- en gassector.

Huidige platformen in de Noordzee kunnen bijvoorbeeld worden hergebruikt voor andere economische doeleinden, zoals energieproductie en aquacultuur. Essentieel is wel dat partijen met elkaar in gesprek gaan, met als einddoel het realiseren van succesvolle pilotprojecten. Diverse partijen werden de afgelopen tijd opgezocht om hieraan te werken, zoals Zero Waste Scotland (ZWS) in de UK, dat met een aantal stakeholders onderzoekt hoe de principes van de circulaire economie binnen deze sector toegepast kunnen worden. Een ander voorbeeld is Decom North Sea (DNS), een instituut dat nauwere samenwerking en collaboratie tussen Noordzee operators en de decomissioning supply chain faciliteert.

Verder liggen er kansen op het gebied van recycling van grondstoffen. De belangrijkste grondstof in de olie- en gasindustrie is staal, dat de basis vormt voor veel olieplatformen en in beginsel recyclebaar is. “Decomissioning-projecten kunnen een hoge mate van recycling bereiken, tot wel 97% van het oorspronkelijke gewicht”, stelt Alastair Carruth, principal consultant environment & infrastructure bij Amex Foster Wheeler. Vooralsnog is er op dit gebied volgens hem sprake van een “gemiste kans”, aangezien volgens schattingen momenteel slechts 1% van het totale gewicht tijdens de ontmanteling wordt hergebruikt.

Toch spelen ook hier enkele uitdagingen. Het bovenste gedeelte van boorplatformen (d.w.z. de productie-installatie, accomodatiesectie en boorinstallatie) en de onderliggende structuren zijn veelal ontworpen voor specifieke omgevingen, die de uitwisselbaarheid voor andere locaties kan minimaliseren. “Daarnaast bevinden deze materialen zich vaak tientallen jaren in ruwe omgevingen, die de kans op potentieel hergebruik doen afnemen. Er zijn weliswaar grote constructies die elders hergebruikt kunnen worden, maar over het algemeen zijn het juist de kleinere materialen die zich het meeste lenen voor hergebruik, aangezien deze geëxtraheerd, gerenoveerd en heringedeeld kunnen worden”, zegt Carruth.

Overige belemmeringen van het circulaire economie concept zijn bijvoorbeeld de strenge regelgeving die op de ontmanteling van boorplatformen van toepassing kan zijn, legt Lantman uit. “Door bestaande wetgeving is het op dit moment praktisch onmogelijk om de oorspronkelijke bestemming van een offshore platform te veranderen. Verder willen eigenaren van een platform bij een eventuele herbestemming volledig gevrijwaard worden van hun aansprakelijkheid, ook dit wordt door de huidige wetgeving in sommige landen belemmerd.”

Bovendien is wetgeving onderhevig aan constante veranderingen, wat een verdere uitdaging vormt. Anne-Mette Jørgensen van Eco-Effective Strategies: “Platformen die gebouwd zijn naar de kwaliteitsstandaarden van circa 25 jaar geleden voldoen vaak niet meer aan de huidige, strengere, wetgeving. Dit resulteert in mogelijke belemmeringen bij het hergebruiken van offshore platformen. Het aanpassen van deze platformen maakt het opstellen van een rendabele business case erg onwaarschijnlijk en leidt tot de volgende conclusie: zolang er geen waarde kan worden toegerekend aan de niet-economische aspecten van een circulaire benadering zal er nooit een sluitende business case gevormd kunnen worden.”

Vooruitkijkend, en met de huidige ontwikkelingen in het achterhoofd, geeft Lantman aan dat, aangezien de kosten voor decommissioning hoog zullen blijven, oliebedrijven niet staan te springen om zich in dit avontuur te begeven. “Als gevolg hiervan zullen operators deze kostenpost zo lang mogelijk uitstellen en ontstaat een vicieuze cirkel en wordt het ontstaan van een gevestigde decommissioning-industrie belemmert.” Om de stap in die richting te stimuleren, is er volgens Jørgensen een belangrijke rol weggelegd voor de circulaire economie principes. “Duurzaamheid kan deze patstelling doorbreken”, aldus Jørgensen. Een belangrijke conclusie van de Ronde Tafel is dat externe partijen, zoals milieubewegingen een leidende rol moeten pakken: “Zij zullen met een circulaire oplossing moeten komen en deze moeten kunnen toelichten en verdedigen.” Alleen wanneer de juiste strategieën worden aangeboord en de juiste samenwerkingsverbanden tussen de verschillende partijen worden gezocht, bestaat er een kans van slagen. “Maar alleen als dit de maatschappij en het milieu voldoende significante voordelen oplevert.”

* Naast de dalende olieprijzen van de afgelopen jaren hebben ook veranderingen in de productie en de supply chain een grote impact op olieplatformen. Zo worden wereldwijd miljarden aan investeringen geschrapt, wat leidt tot massaontslagen binnen de sector, en worden megatankers steeds vaker gebruikt als drijvende opslag voor olie en olieproducten om overcapaciteit aan wal tegen te gaan. Uit gegevens van Bloomberg blijkt dat er in Noordwest-Europa ruim 13 miljoen vaten ruwe olie en olieproducten in drijvende opslag zit in olietankers. Dat is een ruime verdubbeling ten opzichte van september vorig jaar, toen er ongeveer 5,5 miljoen vaten in drijvende opslag zaten.

Nieuws

Meer nieuws over